Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1746

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
06-08-2020
Zaaknummer
19/3805 AOW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:7905, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de feiten en omstandigheden blijkt niet ondubbelzinnig dat appellant in de periode in geding duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote in de zin van artikel 1, derde lid, onder b, van de AOW, zodat hij voor de toepassing van die wet niet is aan te merken als ongehuwde. Nu appellant op 1 augustus 2017 geen recht had op een ouderdomspensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde, was de Svb gehouden dit ouderdomspensioen te herzien naar dat voor een gehuwde pensioengerechtigde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3805 AOW

Datum uitspraak: 5 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

11 juli 2019, 19/253 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.C.M. Dirven, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontving een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een ongehuwde pensioengerechtigde. Op 14 juli 2017 is appellant gehuwd met [naam] , geboren [in] 1975. De echtgenote van appellant woont op de Filipijnen.

1.2.

In juni 2018 heeft de Svb een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van het ouderdomspensioen van appellant. Op 17 augustus 2018 heeft een telefonisch gesprek met appellant plaatsgevonden, waarvan een rapport is opgemaakt. Appellant heeft daarbij aangegeven dat zijn echtgenote nog niet met goed gevolg een inburgeringscursus heeft afgerond, waardoor zij niet in Nederland kan worden ingeschreven.

1.3.

Bij besluit van 10 september 2018 heeft de Svb het ouderdomspensioen van appellant vanaf 1 augustus 2017 herzien in een ouderdomspensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde. Bij beslissing op bezwaar van 5 december 2018 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 10 september 2018 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het voor de echtgenote ondoenlijk is om het inburgeringsexamen te behalen, zodat het voor appellant en zijn echtgenote onmogelijk is om samen te wonen. Daarbij is gewezen op de reisafstand voor de echtgenote om het inburgeringsexamen af te kunnen leggen en de kosten die daaraan verbonden zijn. Ter zitting is naar voren gebracht dat op 24 september 2019 een gezamenlijk verzoek tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank. Appellant heeft al maanden geen contact meer met zijn echtgenote.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in de periode van 1 augustus 2017 tot en met 10 september 2018 sprake was van een situatie van duurzaam gescheiden leven tussen appellant en zijn echtgenote.

4.2.

Artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW bepaalt dat als ongehuwd mede wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden leven sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk hun eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig is bedoeld. Verder is in de rechtspraak tot uitdrukking gebracht dat in het algemeen kan worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk de betrokkenen de intentie hebben een echtelijke samenleving – al dan niet op termijn – aan te gaan, maar dat het niet is uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt.

4.4.

Naar aanleiding van het betoog van appellant wordt opgemerkt dat voor duurzaam gescheiden leven niet doorslaggevend is of de echtgenoten al dan niet samenwonen. Bepalend is, gelet op wat onder 4.3 is overwogen, of de echtelijke samenleving al dan niet verbroken is of niet is ontstaan. Die echtelijke samenleving kan bestaan zonder dat van (voortdurend) samenwonen sprake is (zie de uitspraak van de Raad van 10 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY8134).

4.5.

In het licht van de feiten en omstandigheden waarop appellant zich beroept kan, voor de toepassing van de AOW, niet worden gezegd dat appellant en zijn echtgenote ten tijde in geding, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidde alsof hij niet met de ander gehuwd was.

4.6.

Met de rechtbank wordt daarvoor van belang geacht dat appellant en zijn echtgenote de wil hadden om samen te wonen. De reden dat zij in de periode in geding nog niet samen woonden in Nederland, was dat het de echtgenote zonder het behalen van het inburgeringsexamen niet was toegestaan. Van een gewilde verbreking – of in dit geval: het gewild ontbreken – van de echtelijke samenleving was dus geen sprake. Voor zover appellant met zijn stelling heeft beoogd te verwijzen naar de in het beleid van de Svb (SB1002) opgenomen regel dat ook van duurzaam gescheiden leven sprake kan zijn in de situatie van een door de partners niet gewilde verbreking van de samenleving, waarin die samenleving in feite onmogelijk is geworden, wordt erop gewezen dat in dat geval sprake moet zijn van een permanente verbreking van de samenleving. Een dergelijke situatie is hier in de periode in geding niet aan de orde. Ter zitting heeft appellant gesteld dat sprake was van geregeld contact met zijn echtgenote. Zij probeerden twee keer per dag telefonisch contact met elkaar te hebben. Appellant heeft zijn echtgenote tweemaal voor langere tijd in de Filipijnen bezocht en ook is zijn echtgenote voor een periode van negentig dagen in Nederland geweest. Het was de bedoeling dat de echtgenote mantelzorger van appellant zou worden, wat op zichzelf al wijst op een zekere mate van zorg voor elkaar. Uit de feiten en omstandigheden blijkt dus niet ondubbelzinnig dat appellant in de periode in geding duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote in de zin van artikel 1, derde lid, onder b, van de AOW, zodat hij voor de toepassing van die wet niet is aan te merken als ongehuwde. Nu appellant op 1 augustus 2017 geen recht had op een ouderdomspensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde, was de Svb gehouden dit ouderdomspensioen te herzien naar dat voor een gehuwde pensioengerechtigde.

4.7.

Voor zover is betoogd dat door het gezamenlijk verzoek tot echtscheiding sprake is van een breuk in het contact tussen appellant en zijn echtgenote, moet worden vastgesteld dat het verzoek tot echtscheiding buiten de periode in geding valt en daarom geen rol kan spelen.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2020.

(getekend) A. van Gijzen

(getekend) R.H. Koopman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.