Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1745

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
06-08-2020
Zaaknummer
19/2634 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op ouderdomspensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde, terecht dit ouderdomspensioen herzien naar dat voor een gehuwde pensioengerechtigde. Uit de feiten en omstandigheden blijkt dus niet ondubbelzinnig dat appellant in de periode in geding duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote in de zin van artikel 1, derde lid, onder b, van de AOW, zodat hij voor de toepassing van die wet niet is aan te merken als ongehuwde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2634 AOW

Datum uitspraak: 5 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 8 mei 2019, 17/2865 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Reith, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht (nader) ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 1977 gehuwd met [naam echtgenote] (echtgenote). Vanaf juli 2015 ontving appellant een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een gehuwde pensioengerechtigde. Per 20 juli 2016 is de echtgenote verhuisd naar [gemeente 1] . De Svb heeft hierop met ingang van 1 juli 2016 aan appellant een ouderdomspensioen toegekend voor een ongehuwde pensioengerechtigde. Hierbij ging de Svb ervan uit dat bij appellant sprake was van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW.

1.2.

De Svb heeft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van het ouderdomspensioen van appellant. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 april 2017. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek heeft de Svb bij besluit van 3 mei 2017 het ouderdomspensioen van appellant met ingang van 1 juli 2016 herzien in een ouderdomspensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde. Bij besluit van gelijke datum heeft de Svb bepaald dat het te veel ontvangen pensioen over de periode van juli 2016 tot en met april 2017 van appellant wordt teruggevorderd.

1.3.

Bij twee beslissingen op bezwaar van 3 augustus 2017 heeft de Svb de bezwaren tegen de besluiten van 3 mei 2017 ongegrond verklaard. Aan de besluiten ligt ten grondslag dat uit wat appellant heeft verklaard over zijn leefsituatie, niet blijkt dat sprake is van duurzaam gescheiden leven.

2.1.

Hangende het beroep heeft de Svb de beslissingen op bezwaar van 3 augustus 2017 ingetrokken. Bij beslissing op bezwaar van 27 september 2017 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het herzieningsbesluit van 3 mei 2017 gegrond verklaard en is bepaald dat het ouderdomspensioen van appellant eerst met ingang van mei 2017 wordt herzien. Reden hiervoor is dat appellant nooit melding heeft gemaakt van het feit dat hij duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote, maar dat de herziening naar de norm van een ongehuwde het gevolg is geweest van een telefonische mededeling van zijn echtgenote. De herziening en terugvordering over de periode van juli 2016 tot en met april 2017 is daarom komen te vervallen.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad over het toetsingskader bij artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW geoordeeld dat, gelet op de door appellant aangedragen feiten en omstandigheden, geen sprake is van een situatie waarin ondubbelzinnig blijkt dat bij appellant sprake is van duurzaam gescheiden leven.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat geen sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven. Appellant wilde de relatie met zijn echtgenote goed houden om een vechtscheiding te vermijden. Appellant at één keer per week samen met hun autistische zoon bij zijn echtgenote, omdat de zoon anders niet meer bij zijn moeder zou komen. Appellant is in de woning van zijn echtgenote blijven wonen, zodat hij zijn onderneming niet hoefde te verhuizen. In verband met een waardedaling van de oldtimer is ervoor gekozen om de echtgenote in de auto te laten rijden, terwijl appellant de premie voor de autoverzekering betaalt. Appellant en zijn echtgenote zijn op 17 april 2019 gescheiden en de oldtimer is inmiddels verkocht. De situatie van appellant zou vergelijkbaar zijn met de situaties genoemd in de uitspraken van de Raad van 3 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:81, van 14 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6807, van 16 juni 1999, ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8340, van 15 april 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AI0648, van 20 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2052 en een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:6290.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is of tussen appellant en zijn echtgenote op 1 mei 2017 sprake was van duurzaam gescheiden leven.

4.2.

Artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW bepaalt dat als ongehuwd mede wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden leven sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk hun eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig is bedoeld.

4.4.

In het licht van de feiten en omstandigheden waarop appellant zich beroept kan, voor de toepassing van de AOW, niet worden gezegd dat appellant en zijn echtgenote ten tijde in geding, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidde alsof hij niet met de ander gehuwd was. Met de rechtbank wordt daarvoor van belang geacht dat sprake is van financiële verstrengeling. Zo is de echtgenote eigenaar van beide woningen. Het huis in [gemeente 1] is gefinancierd met de overwaarde van de woning in [gemeente 2] . Appellant betaalt de rente van de lening aan zijn echtgenote. Appellant betaalt verder de verzekering en de wegenbelasting van de oldtimer waarin de echtgenote rijdt. Verder zijn er testamenten opgemaakt waarin is opgenomen dat vermogen bij overlijden naar de langstlevende gaat. Ook is er sprake van frequente contacten tussen appellant en zijn echtgenote. De echtgenote doet wekelijks de was en de strijk voor appellant. Zij bezoeken gezamenlijk hun dochter met kleinkinderen en gaan ook op bezoek bij andere familieleden. Verder komt appellant iedere week samen met hun zoon bij zijn echtgenote eten. Uit de feiten en omstandigheden blijkt dus niet ondubbelzinnig dat appellant in de periode in geding duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote in de zin van artikel 1, derde lid, onder b, van de AOW, zodat hij voor de toepassing van die wet niet is aan te merken als ongehuwde. Nu appellant op 1 maart 2017 geen recht had op een ouderdomspensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde, was de Svb gehouden dit ouderdomspensioen te herzien naar dat voor een gehuwde pensioengerechtigde.

4.5.

Anders dan appellant heeft betoogd, is zijn situatie niet in overwegende mate vergelijkbaar met die in de uitspraken van de Raad genoemd onder overweging 3. Anders dan in die uitspraken, is in het geval van appellant en zijn echtgenote, naast de financiële verstrengeling, sprake van andere contacten of gezamenlijke activiteiten. De door appellant genoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam weerspiegelt niet de vaste rechtspraak van de Raad ten aanzien van het begrip duurzaam gescheiden leven.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2020.

(getekend) A. van Gijzen

(getekend) R.H. Koopman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.