Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1743

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
06-08-2020
Zaaknummer
19/1429 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het bestreden besluit, waarbij appellant van 1 januari 1974 tot en met 31 juli 1981 niet verzekerd is geacht voor de AOW, terecht in stand gelaten. Niet betwist dat hij in die periode op grond van de artikel 17‑overeenkomst onderworpen was aan de Duitse socialezekerheidswetgeving en niet verzekerd was voor de AOW. Voor appellant is van belang dat hij de in die jaren ten onrechte betaalde premie volksverzekeringen terugkrijgt. Appellant kon in ieder geval vanaf medio 1982 ervan op de hoogte zijn dat hij over de in geschil zijnde jaren geen premie volksverzekeringen verschuldigd was. Voor zover wel premie is ingehouden had hij destijds actie kunnen ondernemen. Het feit dat mogelijk ten onrechte premie volksverzekeringen zijn ingehouden door de Belastingdienst, kan niet leiden tot verplichte verzekering ingevolge de AOW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2020/1825 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1429 AOW

Datum uitspraak: 5 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2019, 18/2691 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2020. Appellant is in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1952, heeft op 12 september 2017 aan de Svb verzocht zijn eerdere pensioenoverzicht, van 8 maart 2013, aan te passen. In het pensioenoverzicht van 8 maart 2013 is hij in de periode van 7 september 1973 tot en met 15 augustus 1981 als niet verzekerd voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangemerkt en appellant verzoekt deze termijn te herzien. Appellant heeft ter onderbouwing van dit verzoek gegevens, waaronder jaaropgaven van zijn toenmalige werkgevers, overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat in die periode op zijn Nederlandse inkomen premies volksverzekeringen zijn ingehouden. Bij besluit van 6 november 2017 heeft de Svb, na een inhoudelijke beoordeling, geweigerd het pensioenoverzicht van 8 maart 2013 aan te passen. In zijn bezwaarschrift heeft appellant erop gewezen dat de gemeente [gemeente] voor zijn werkzaamheden bij de vrijwillige brandweer in de periode in geding premie AOW heeft afgedragen.

1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 6 maart 2018 (bestreden besluit) heeft de Svb het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 6 november 2017 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de Svb onder meer overwogen dat appellant eerder drie brieven heeft overgelegd. Twee brieven, van 19 maart 1982 en van 29 september 1982, zijn afkomstig van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en gericht aan appellant. Een brief, van 6 oktober 1982, is afkomstig van de Svb en gericht aan de salarisadministratie van de gemeente [gemeente] . Uit deze brieven blijkt dat Nederland en Duitsland hebben afgesproken dat op grond van artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (artikel 17-overeenkomst) voor de periode van 1 januari 1974 tot en met 31 juli 1981, gedurende welke periode appellant zowel in Nederland als in Duitsland werkzaam is geweest, uitsluitend de Duitse sociale verzekeringswetgeving van toepassing is. Uit een bericht van de Deutsche Rentenversicherung is verder gebleken dat appellant onder meer over de periode van 1 januari 1974 tot en met 15 augustus 1981 verzekerd wordt geacht voor de Duitse socialezekerheidswetgeving. Gezien deze gegevens is appellant op juiste gronden niet verzekerd geacht voor de AOW in de door appellant bestreden periode, aldus de Svb.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant, dat in de periode in geding wel sprake was van opbouw van AOW-rechten dan wel dat de afgedragen premie dient te worden geretourneerd, ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat appellant in de periode van 1 januari 1974 tot en met 15 augustus 1981 (ook) in Nederland heeft gewerkt. Op grond van de in het dossier aanwezige en door appellant niet betwiste brieven uit 1982 met betrekking tot de gesloten artikel 17-overeenkomst tussen Nederland en Duitsland, was van 1 januari 1974 tot en met 31 juli 1981 op appellant uitsluitend de Duitse socialeverzekeringswetgeving van toepassing. De Svb heeft daarom terecht appellant in genoemde periode niet verzekerd geacht voor de AOW. Het louter (ten onrechte) betalen van premie, betekent niet dat reeds op grond daarvan appellant in Nederland als (verplicht) verzekerd voor de AOW moet worden geacht. Wat betreft de terug te ontvangen premies heeft de rechtbank overwogen dat niet is komen vast te staan dat premie is betaald. Zowel de Belastingdienst en de Svb als appellant kunnen gegevens daarover niet meer achterhalen.

3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij het bewijs heeft geleverd dat hij in genoemde periode premies volksverzekeringen heeft afgedragen. De Svb heeft niet kunnen aantonen dat hij die premies destijds van de Belastingdienst heeft terugontvangen. Ter zitting heeft appellant gesteld dat hij wil bereiken dat hij de afgedragen premie terugontvangt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Aan de orde is een verzoek om terug te komen van het besluit van 8 maart 2013, welk verzoek is afgewezen na een inhoudelijke beoordeling. Voor het door de bestuursrechter te hanteren toetsingskader wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 7 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:500. Gelet hierop zal worden getoetst aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste pensioenoverzicht. Tussen partijen is in geschil of de rechtbank het bestreden besluit, waarbij appellant van 1 januari 1974 tot en met 31 juli 1981 niet verzekerd is geacht voor de AOW, terecht in stand heeft gelaten.

4.2.

Appellant heeft de aangevallen uitspraak niet betwist voor zover daarin is overwogen dat hij in de periode tussen 1 januari 1974 en 31 juli 1981 op grond van de artikel 17‑overeenkomst onderworpen was aan de Duitse socialezekerheidswetgeving en niet verzekerd was voor de AOW. Zoals appellant ook ter zitting van de Raad heeft benadrukt, is voor hem van belang dat hij de in die jaren ten onrechte betaalde premie volksverzekeringen terugkrijgt.

4.3.

Uit de gedingstukken blijkt dat de verzekeringspositie van appellant, voorafgaande aan de artikel 17-overeenkomst, voor de diverse bestuursorganen in Nederland niet geheel duidelijk is geweest. De Belastingdienst heeft appellant blijkens de diverse formulieren “Opgave van de Belastingdienst ten behoeve van de beperkte registratie” onder andere tijdens de jaren in geding niet verzekerd geacht. Appellant heeft jaaropgaven over de jaren 1974 tot en met 1981 overgelegd waaruit blijkt dat premie volksverzekeringen zijn ingehouden. Uit de door appellant overgelegde brieven uit 1982 kan worden opgemaakt dat hij zich met betrekking tot zijn verzekeringsrechtelijke positie tot het Ministerie van SZW heeft gewend. Naar aanleiding hiervan is een artikel 17-overeenkomst tot stand gekomen, waarin Duitsland is aangewezen als het voor de sociale zekerheid bevoegde land. In de brief van 19 maart 1982 schrijft de minister van SZW dat de in de jaren 1979 en 1980 opgelegde premie-aanslagen volksverzekeringen komen te vervallen. Uit de jaaropgaven met betrekking tot de in geding zijnde periode en de brieven uit 1982 die appellant bij zijn verzoek om herziening van 12 september 2017 aan de Svb heeft overgelegd, kan worden opgemaakt dat appellant in ieder geval vanaf medio 1982 ervan op de hoogte kon zijn dat hij over de in geschil zijnde jaren geen premie volksverzekeringen verschuldigd was. Voor zover wel premie is ingehouden had hij destijds actie kunnen ondernemen.

4.4.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het feit dat mogelijk ten onrechte premie volksverzekeringen zijn ingehouden door de Belastingdienst, niet kan leiden tot verplichte verzekering ingevolge de AOW. Met betrekking tot het verzoek van appellant te oordelen dat de op de jaaropgaven vermelde premie AOW/ANW door de Svb moet worden terugbetaald, wordt overwogen dat appellant een dergelijk verzoek tot de Belastingdienst dient te richten omdat de heffing en invordering van de premie AOW aan deze dienst is opgedragen (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2012:BX9423).

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2020.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) E.M. Welling

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.