Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1729

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
19-5208 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen. Inkomsten. Appellant had redelijkerwijs kunnen weten dat stortingen gemeld hadden moeten worden. Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2020/186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5208 PW

Datum uitspraak: 4 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
18 november 2019, 19/375 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rheden (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 30 maart 2016 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij besluit van 5 juli 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 december 2018 met de aanvulling dat de bijstand per 5 juli 2018 is beëindigd (bestreden besluit), heeft het college de bijstand over de perioden van 1 april 2016 tot en met 30 oktober 2017,

12 november 2017 tot en met 29 november 2017 en van 12 december 2017 tot en met

30 december 2017 herzien en de bijstand over de perioden van 31 oktober 2017 tot en met

11 november 2017, 30 november 2017 tot en met 11 december 2017 en van 31 december 2017 tot en met 29 januari 2018 ingetrokken. Tevens heeft het college de over de hiervoor vermelde perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 21.895,77 van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat, voor zover van belang, in de periode van 20 april 2016 tot 26 februari 2018 op de bankrekening van appellant regelmatig als inkomen aan te merken kasstortingen en bijschrijvingen hebben plaatsgevonden tot een bedrag van in totaal € 27.538,- en dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting daarvan geen melding heeft gemaakt bij het college.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank als volgt overwogen, waarbij voor eiser appellant en voor verweerder het college moet worden gelezen:

“Niet in geschil is dat eiser in de perioden in geding bedragen op zijn rekening heeft gestort en bijgeschreven heeft gekregen.

Volgens vaste rechtspraak, die ook onder de Pw zijn gelding heeft behouden, worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw beschouwd. Verweerder is daarvan in deze zaak dan ook terecht uitgegaan.

Als de ontvangen betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw. Eiser betwist het periodieke karakter van de stortingen en bijschrijvingen niet. Verder heeft eiser op meerdere momenten in de procedure verklaard dat hij de geleende bedragen gebruikte ter voorziening in zijn levensonderhoud en voor het afbetalen van schulden. Gelet hierop in combinatie met hetgeen is overwogen in, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de ontvangen bedragen terecht heeft aangemerkt als inkomsten.

Eisers stelling dat sprake is van bedragen die hij heeft geleend van zijn familie en die moeten worden terugbetaald, leidt niet tot het oordeel dat niet van middelen en/of inkomsten kan worden gesproken. Nog daargelaten dat eiser op onvoldoende wijze heeft onderbouwd dat sprake is van reële schulden met concrete aflossingsverplichtingen - nu de geldverstrekkers familieleden zijn en de aflossingsverplichtingen niet afdwingbaar zijn - is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de Pw niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Verder worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - naar vaste rechtspraak als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt.

Eiser betoogt verder dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat hij niet wist dat hij een geldlening moest melden. Op het mutatieformulier worden voorbeelden genoemd van inkomsten of vermogensbestanddelen die doorgegeven moeten worden. De geldlening is daar niet vermeld.

Naar het oordeel van de rechtbank had het eiser redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de bedragen die hij van zijn familie op zijn bankrekening ontving van invloed konden zijn op zijn recht op bijstand. Dat op de mutatieformulieren leningen niet expliciet worden genoemd als voorbeeld van een gegeven dat moet worden gemeld, doet daarom niet af aan het feit dat eiser niet onverwijld na ontvangst van de stortingen en bijschrijvingen uit eigen beweging daarvan mededeling heeft gedaan. Gelet daarop heeft eiser de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Pw op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Hierbij is niet relevant dat eiser, zoals hij in beroep stelt, geen kwade bedoelingen had. De in artikel 17 van de Pw neergelegde verplichting is immers een objectief geformuleerde verplichting, waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. Beoordeeld moet worden of eiser de stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening had moeten melden en dit heeft nagelaten. Dat laatste is, zoals hiervoor al is vastgesteld, het geval.

Door schending van de op hem rustende inlichtingenverplichting is eiser te veel bijstand verleend. Dit betekent dat verweerder verplicht was om de bijstandsuitkering van eiser te herzien in de maanden waarin de ontvangen bedragen lager waren dan de toepasselijke bijstandsnorm en in te trekken over de maanden waarin het totaalbedrag van de ontvangen bedragen hoger was dan de toepasselijke bijstandsnorm. Ook was verweerder gehouden de te veel betaalde bijstand terug te vorderen. De hierop betrekking hebbende beroepsgronden van eiser treffen dus geen doel.

In de door eiser naar voren gebrachte mogelijke financiële consequenties van de terugvordering voor zijn per 1 april 2018 gestarte klusbedrijf zijn geen dringende redenen gelegen op grond waarvan verweerder geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van terugvordering van de uitkering. Dringende redenen zijn aan de orde indien terugvordering tot onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene zou leiden. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken. Eiser is daarin niet geslaagd, nu hij een oorzakelijk verband tussen de terugvordering en een mogelijk faillissement van zijn klusbedrijf niet heeft onderbouwd aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens.

Naar aanleiding van wat eiser ter zitting nog naar voren heeft gebracht, overweegt de rechtbank dat eiser bij de invordering van de bijstandsschuld als schuldenaar voldoende bescherming heeft, of deze bescherming zo nodig kan inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.”

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft daartoe verwezen naar de in bezwaar en beroep voorgedragen gronden. Volgens appellant heeft het college niet of onvoldoende voldaan aan zijn bewijslast, bestaat geen grond voor herziening, intrekking en terugvordering van de (kosten van) bijstand, vordert het college ten onrechte het hele bedrag in, heeft het college een onjuiste afweging gemaakt en bestaat een dringende reden om af te zien van intrekking, herziening, terug- en invordering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep met de onder 3 weergegeven gronden geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. De gronden in hoger beroep komen neer op een herhaling van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank, zoals onder 2 weergegeven, volledig en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2020.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) F. Demiroğlu