Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1720

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
19-4392 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen. Geen objectief bewijs dat de stortingen afkomstig zijn van de dochter voor bijdrage in de woonkosten. Bijstand terecht over betrokken maanden herzien dan wel ingetrokken en teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4392 PW

Datum uitspraak: 4 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van
9 mei 2019, 18/5330 (aangevallen tussenuitspraak) en 13 september 2019, 18/5330 (aangevallen einduitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L. Wittensleger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 januari 2002 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij brief van 10 april 2018 heeft het college appellante in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek uitgenodigd voor een gesprek op 24 april 2018, met het verzoek een aantal nader genoemde bescheiden naar dat gesprek mee te nemen, waaronder bankafschriften.

1.3.

Bij besluit van 17 juli 2018 heeft het college de bijstand over de perioden van 1 januari 2017 tot en met 31 januari 2018, 1 maart 2018 tot en met 30 april 2018 en vanaf 1 juli 2018 ingetrokken. Tevens heeft het college de bijstand over de maand februari 2018 herzien.

1.4.

Bij besluit van 29 oktober 2018 (bestreden besluit 1), aangevuld bij besluit van 13 maart 2019 met bijlage (bestreden besluit 2), heeft het college, voor zover hier van belang, na nader onderzoek in bezwaar besloten de bijstand over de maanden januari tot en met juli 2017, september en oktober 2017 en januari en februari 2018 alsnog te herzien en de intrekking van de bijstand over de maanden augustus, november en december 2017 te handhaven. Aan deze besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college geen melding te maken van ontvangen kasstortingen en bijschrijvingen, die als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW bij de verlening van bijstand in aanmerking moet worden genomen. Omdat appellante, na in bezwaar in de gelegenheid te zijn gesteld nadere gegevens in te leveren, over de maanden augustus, november en december 2017 geen gegevens heeft overgelegd en het recht op bijstand daardoor niet kan worden vastgesteld, heeft het college de bijstand over die maanden ingetrokken.

2. Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het volgende overwogen, waarbij voor eiseres appellante en voor het college verweerder moet worden gelezen:

“Vaststaat en niet in geschil is dat in de maanden januari tot en met juli 2017, september 2017, oktober 2017, januari 2018 en februari 2018 kasstortingen en bijschrijvingen op de bankrekening van eiseres hebben plaatsgevonden. Evenmin is in geschil dat eiseres geen melding heeft gemaakt van de bijschrijvingen en van de kasstortingen. Verweerder heeft die stortingen en bijschrijvingen aangemerkt als inkomen en de bijstandsuitkering van eiseres over de genoemde maanden herzien.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder de bijschrijvingen en de kasstortingen ten onrechte als inkomen heeft aangemerkt en op de bijstandsuitkering in mindering heeft gebracht. Eiseres heeft verklaard dat de kasstortingen afkomstig zijn van haar inwonende dochter, [naam 1] die maandelijks gemiddeld € 280,- als bijdrage betaalt in de woonkosten. Eiseres krijgt dit bedrag contant en stort dit bedrag dan op haar rekening. De overige transacties betreffen kleine bedragen die eiseres aan haar zoon [naam 2] en dochter [naam 3] heeft voorgeschoten voor boodschappen of brandstof.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (uitspraak van 3 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2004) worden (kas)stortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandsontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW.

Met verweerder wordt geoordeeld dat eiseres de herkomst van de kasstortingen niet met objectieve en verifieerbare gegevens inzichtelijk heeft gemaakt. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt met objectieve en verifieerbare gegevens dat de stortingen op haar bankrekening, zoals zij heeft gesteld, afkomstig waren uit contant ontvangen bedragen van dochter [naam 1] , bedoeld als bijdrage in de woonkosten. Hierbij is van belang dat, naast de stortingen van contante bedragen op de bankrekening van eiseres, ook sprake was van bijschrijvingen door [naam 1] op de bankrekening van eiseres. Ook is van belang, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, dat verweerder de herkomst van de bijschrijvingen verder niet heeft kunnen controleren, omdat eiseres twee dochters heeft met de voorletter M. De stelling dat de overige bijschrijvingen, gedaan door [naam 3] en [naam 2] , terugbetalingen betreffen in verband met het voorschieten van boodschappen, is niet aannemelijk omdat het telkens gaat om vaste bedragen per maand. Bovendien heeft eiseres ook voor deze bijschrijvingen geen objectieve en verifieerbare gegevens ingediend. Nu eiseres de bedragen kon aanwenden voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de bijschrijvingen en kasstortingen zijn aan te merken als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW. Omdat eiseres de bedragen niet heeft gemeld, heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden en als gevolg daarvan te veel bijstand ontvangen. Het college heeft de bijstandsuitkering van eiseres over de maanden januari tot en met juli 2017, september en oktober 2017 en januari en februari 2018 dan ook terecht herzien.

Omdat over de overige maanden (augustus, november en december 2017) geen gegevens zijn aangeleverd, zoals door eiseres ter zitting is erkend, is het recht op bijstand over deze maanden niet vast te stellen. Verweerder heeft de bijstandsuitkering van eiseres over deze maanden terecht ingetrokken.”

2.1.

Bij de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd, voor zover daarbij getrapte besluitvorming is toegepast en de bijstand van appellante over de periode van 1 maart 2018 tot 1 juli 2018 is ingetrokken. De rechtbank heeft daarbij zelf voorzien door te bepalen dat appellante over die periode in aanmerking komt voor bijstand naar de voor haar geldende norm met aftrek van € 17,78 netto per maand. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde delen van de bestreden besluiten en dat die bestreden besluiten voor het overige in stand blijven.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen tussenuitspraak en aangevallen einduitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank de intrekking van bijstand over de maanden augustus, november en december 2017 en herziening van bijstand over de maanden januari tot en met juli, september en oktober 2017 en januari en februari 2018 in stand heeft gelaten. Zij heeft, evenals in beroep, aangevoerd dat de kasstortingen ten onrechte als middel zijn aangemerkt. Appellante heeft daartoe gesteld dat zij bijstand met toepassing van de kostendelersnorm ontvangt en dat de kasstortingen bijdragen zijn in de kosten van de inwonende dochter van appellante, met wie zij geacht wordt kosten te kunnen delen. Tevens heeft appellante, evenals in beroep, gesteld dat het recht op bijstand over de maanden augustus, november en december 2017 wel is vast te stellen en dat de besluitvorming van het college niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil intrekking van bijstand over de maanden augustus, november en december 2017 en herziening van bijstand over de maanden januari tot en met juli, september en oktober 2017 en januari en februari 2018.

4.2.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen tussenuitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hierin ligt reeds besloten dat de beroepsgrond dat de besluitvorming van het college onzorgvuldig is niet kan slagen. De Raad voegt daar nog aan toe dat appellante ook in hoger beroep geen objectief en verifieerbaar bewijs heeft geleverd van de juistheid van haar stellingen.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak zullen worden bevestigd, voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van T. Ali als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2020.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) T. Ali