Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1704

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2020
Datum publicatie
06-08-2020
Zaaknummer
17/3906 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aangevallen uitspraken in de eerste plaats aangevochten, omdat daarbij naar appellante stelt niet is beslist op haar verzoek om schadevergoeding en om vergoeding van proceskosten. Omdat van een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade van appellante niet is gebleken, is er geen aanleiding om te oordelen dat de rechtbank zo’n verzoek niet heeft behandeld. De rechtbank heeft verder terecht geen aanleiding gezien om in aangevallen uitspraken 1 en 2 een proceskostenveroordeling ten gunste van appellante uit te spreken. Het verzoek van appellante om vergoeding van de schade als gevolg van het herroepen besluit van 25 november 2014 wordt afgewezen. Zoals de rechtbank heeft geoordeeld in aangevallen uitspraak 1 en zoals door appellante niet wordt bestreden, heeft appellante geen bezwaar gemaakt, en dus in feite geen rechtsmiddel aangewend, tegen dat besluit. Daarom kan niet worden aangenomen dat dat besluit (ook) jegens appellante onrechtmatig is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/368
O&A 2020/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/3906, 17/3909, 17/3910

Datum uitspraak: 3 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 12 april 2017, 15/3940 en 16/1854 (aangevallen uitspraak 1) en 12 april 2017, 15/3637 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[naam v.o.f.] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R.T. van Baarlen, hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2019. Namens appellante is verschenen mr. J.E. Paashuis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen contact op te nemen met de verzekeraar van appellante. Appellante en het Uwv hebben nadere stukken ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is

een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing

van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is eigenrisicodrager voor de betaling van de WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van [naam werknemer] (werknemer). Werknemer is op 10 december 2012 uitgevallen voor zijn werk. Bij besluit van 25 november 2014 heeft het Uwv geweigerd aan werknemer met ingang van 8 december 2014 een WIA-uitkering toe te kennen. Het bezwaar van de werknemer tegen dit besluit is bij besluit van 18 juni 2015 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

1.2.

Appellante en werknemer hebben tegen bestreden besluit 1 beroep aangetekend. Hangende de beroepsprocedure heeft het Uwv bij besluit van 7 december 2015 (bestreden besluit 2) bestreden besluit 1 gewijzigd en aan de werknemer met ingang van 8 december 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Het bezwaar van de werknemer tegen het besluit van 25 november 2014 is (in zoverre) gegrond verklaard.

1.3.

Bij besluit van 5 januari 2016 heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat hij, in tegenstelling tot wat in eerdere brief was gesteld, de WIA-uitkering van werknemer niet aan appellante overmaakt omdat appellante eigenrisicodrager is. Bij besluit van 14 januari 2016, met als bijlage een overzicht van de te betalen uitkeringen, heeft Uwv appellante geïnformeerd over de hoogte van de uitkering. Bij besluit van 31 maart 2016 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv de door appellante tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten 2 en 3 ongegrond.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van de werknemer tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van de werknemer tegen bestreden besluit 2 ongegrond.

3.1.

Appellante heeft tegen deze uitspraken hoger beroep ingesteld. Appellante stelt in de eerste plaats dat de rechtbank niet heeft beslist op haar verzoeken om veroordeling tot vergoeding van proceskosten en schade. Verder stelt zij dat zij schade heeft geleden omdat het Uwv eerst wel en vervolgens niet de WGA-uitkeringen over de periode 8 december 2014 tot en met 31 januari 2016 aan de werkgever zou gaan betalen, maar uiteindelijk over die periode – zonder verhaalsbesluiten te nemen – de te betalen WGA-uitkeringen met de te verhalen WGA-uitkeringen intern heeft verrekend. Omdat er geen verhaalsbesluiten waren en ook niet duidelijk was tot welk bedrag, inclusief werkgeverslasten, WGA-uitkeringen moesten worden geclaimd en vergoed, weigerde de verzekeraar van appellante aanvankelijk vergoeding van de WGA-uitkeringen. Hierdoor heeft appellante kosten moeten maken omdat eigen berekeningen van de WGA-uitkeringen moesten worden gemaakt. Op basis van deze berekeningen heeft de verzekeraar een voorschot van € 27.614,27 aan appellante vergoed. Appellante stelt dat zij schade heeft geleden, omdat dit voorschot niet het volledige door haar betaalde bedrag aan van de door haar betaalde WGA-uitkeringen over de periode van 8 december 2014 tot en met 31 januari 2016 dekt. Daarnaast heeft zij kosten moeten maken om het voorschot door de verzekeraar betaald te krijgen. Appellante heeft een berekening van de volgens haar geleden schade overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat, voor zover al van schade kan worden gesproken, de door appellante geclaimde schadeposten niet in causaal verband staan met het onrechtmatige deel van zijn besluiten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft, voor zover thans nog van belang, de aangevallen uitspraken in de eerste plaats aangevochten, omdat daarbij naar zij stelt niet is beslist op haar verzoek om schadevergoeding en om vergoeding van proceskosten.

4.2.

Appellante heeft gesteld dat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding, gedaan ter zitting van 12 oktober 2016, niet heeft beoordeeld. Hoewel het schadeverzoek in het proces-verbaal niet is opgenomen, blijkt volgens appellante uit een brief van 19 oktober 2016 dat appellante door de rechtbank de gelegenheid is geboden om het schadeverzoek nader te motiveren.

4.3.

Uit de door appellante als bijlage 7 bij het hogerberoepschrift overgelegde brief van 19 oktober 2016 van appellante aan de rechtbank blijkt echter niet van een schadeverzoek. Appellante heeft de rechtbank in die brief enkel verzocht om bij een eventuele vergoeding van proceskosten, op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht vanwege bijzondere omstandigheden af te wijken van de limitatieve en forfaitaire tarieven. Omdat van een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade van appellante niet is gebleken, is er geen aanleiding om te oordelen dat de rechtbank zo’n verzoek niet heeft behandeld.

4.4.

De rechtbank heeft verder terecht geen aanleiding gezien om in aangevallen uitspraak 1 een proceskostenveroordeling ten gunste van appellante uit te spreken. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank appellantes beroep tegen bestreden besluit 1, gelet op artikel 6:13 van de Awb, niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante geen (ontvankelijk) bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 25 november 2014. Voor vergoeding van de gemaakte kosten voor de beroepen tegen bestreden besluiten 2 en 3 bestond geen aanleiding, omdat de beroepen tegen deze besluiten ongegrond zijn verklaard. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak 2 eveneens terecht geen aanleiding gezien om een proceskostenveroordeling ten gunste van appellante uit te spreken. Appellante heeft in de desbetreffende procedure als derde-partij haar zienswijze gegeven op het standpunt van de werknemer.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt, zodat aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komen.

5. Het verzoek van appellante om vergoeding van de schade als gevolg van het herroepen besluit van 25 november 2014 wordt afgewezen. Zoals de rechtbank heeft geoordeeld in aangevallen uitspraak 1 en zoals door appellante niet wordt bestreden, heeft appellante geen bezwaar gemaakt, en dus in feite geen rechtsmiddel aangewend, tegen dat besluit. Daarom kan niet worden aangenomen dat dat besluit (ook) jegens appellante onrechtmatig is geweest. Overigens wordt nog opgemerkt dat het gegeven dat de verzekeraar waar appellante het risico van de aan de werknemer te betalen WGA-uitkering heeft ondergebracht, niet meteen volledig tot uitbetaling is overgegaan, niet op bedoeld besluit is terug te voeren. De kosten die appellante stelt te hebben gemaakt voor de briefwisseling met haar verzekeraar en de daarbij benodigde berekeningen staan volledig los van het gegeven dat bij het genoemde besluit aanvankelijk een uitkering op grond van de Wet WIA aan werknemer werd geweigerd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van M.D.F. Smit-de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2020.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) M.D.F. Smit-de Moor