Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1701

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
19/188 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WW-uitkering. Geen uitbetaling WW-uitkering over de periode van 14 april 2017 tot en met 12 juni 2017. Oplegging maatregel, inhoudende dat de WW-uitkering over de periode vanaf 20 april 2017 wordt verlaagd met 20% voor drie maanden. Er is onvoldoende grond om een bijzonder geval aan te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2020/180
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 188 WW

Datum uitspraak: 3 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

19 december 2018, 18/2460 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.A.M. van der Geld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via een Skype-verbinding plaatsgevonden op 8 juli 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Geld. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als algemeen medewerker. Op 26 januari 2016 heeft appellant zich ziek gemeld met psychische klachten. Appellant ontving een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 13 maart 2017 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant met ingang van 14 april 2017 beëindigd. Bij beslissing op bezwaar van 20 maart 2018 heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat volgens het Uwv niet is gebleken dat het te laat indienen van bezwaar medisch verschoonbaar is. Aan dit besluit is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 maart 2018 ten grondslag gelegd.

1.2.

Op 12 december 2017 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend.

1.3.

Bij besluit van 13 december 2017 heeft het Uwv aan appellant met ingang van

14 april 2017 een WW-uitkering toegekend. In dit besluit is tevens bepaald dat appellant over de periode van 14 april 2017 tot en met 12 juni 2017 geen WW-uitkering krijgt uitbetaald, omdat deze periode langer dan 26 weken voor het indienen van de aanvraag ligt. Daarnaast heeft het Uwv een maatregel opgelegd, inhoudende dat de WW-uitkering over de periode vanaf 20 april 2017 wordt verlaagd met 20% voor drie maanden.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 29 mei 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 december 2017 ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is geen sprake van een bijzonder geval. Daarbij heeft het Uwv verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 maart 2018.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 10 maart 2018 terecht geconcludeerd dat de door appellant aangevoerde psychische problematiek onvoldoende grond is om een bijzonder geval aan te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de overgelegde medische stukken blijkt dat appellant door zijn psychische problematiek psychologische begeleiding/coaching nodig heeft en dat hij vanuit Lister ondersteuning krijgt bij het op orde brengen van zijn administratie. Uit deze informatie kan volgens de rechtbank niet worden afgeleid dat het medisch beeld van appellant zo ernstig was dat hij als gevolg hiervan niet tijdig een WW-aanvraag kon indienen dan wel dat hij niet in staat was om een derde in te schakelen voor hulp. Appellant heeft niet met stukken onderbouwd dat dat niet van hem kon worden verwacht. Anders dan appellant meent, heeft het Uwv het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 maart 2018, dat is opgesteld naar aanleiding van het door hem ingediende bezwaar tegen het besluit van 13 maart 2017 tot beëindiging van de ZW-uitkering per 14 april 2017, aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin op basis van dezelfde aangevoerde gronden als in deze zaak een voldoende feitelijke beoordeling heeft gegeven over de medische situatie van appellant ten tijde van de beëindiging van de ZW-uitkering. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de medische beoordeling onzorgvuldig te achten. Ook in de in beroep overgelegde stukken heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep nadere informatie bij de behandelend sector had moeten inwinnen. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat in het plan van aanpak van Geynwijs van 24 oktober 2017 ook de problemen zijn beschreven die appellant ondervindt met het bijhouden van zijn administratie, welke informatie de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 10 maart 2018 bij de beoordeling heeft betrokken.

2.2.

In wat appellant over de medische belemmering om tijdig een WW-aanvraag in te dienen heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het Uwv had moeten afzien van het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen of de maatregel had moeten verlagen omdat sprake zou zijn van verminderde verwijtbaarheid.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep verzocht wat hij in beroep heeft aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen. Volgens appellant was in zijn situatie sprake van een bijzonder geval, omdat hij door zijn psychische klachten niet in staat was om tijdig een WW-aanvraag in te dienen. Appellant heeft gesteld dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak onder 6 ten onrechte heeft overwogen dat het Uwv het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 maart 2018 aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen omdat dit rapport volgens hem alleen zijn medische situatie ten tijde van de beëindiging van de ZW-uitkering weergaf en zijn medische situatie daarna is verslechterd. Verder heeft appellant gesteld dat er een onzorgvuldige medische beoordeling heeft plaatsgevonden omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie bij de behandelend sector had moeten opvragen omdat zijn medische situatie was verslechterd ten opzichte van zijn medische situatie bij de beëindiging van de ZW-uitkering. Ook heeft appellant gesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 10 maart 2018 ten onrechte heeft betrokken de omstandigheid dat appellant, ondanks het feit dat op dat moment niet werd begeleid bij het bijhouden van zijn administratie, naar aanleiding van een uitnodigingsbrief op het spreekuur van de verzekeringsarts van 9 februari 2017 is verschenen. Volgens appellant is het verschijnen op spreekuur na het openen en lezen van een schriftelijke uitnodigingsbrief niet vergelijkbaar met de handelingen die nodig zijn voor het indienen van een WW-aanvraag. Tot slot heeft appellant gesteld dat hem door zijn psychische klachten geen verwijt kan worden gemaakt van het te laat indienen van een WW-aanvraag, zodat het Uwv een lagere maatregel had moeten opleggen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen en verdere regelgeving wordt verwezen naar de overwegingen 2, 9, 10 en 11 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Appellant heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft geconcludeerd dat de door appellant aangevoerde psychische problematiek (de diagnose van ASS, PDD-NOS) onvoldoende grond is om een bijzonder geval aan te nemen en dat wat appellant in beroep heeft aangevoerd en aan medische stukken heeft overgelegd geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onzorgvuldig onderzoek heeft verricht en nadere informatie bij de behandelend sector had moeten inwinnen. Ook heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat wat appellant in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om te oordelen dat het Uwv van het opleggen van een maatregel had moeten afzien wegens dringende redenen of de maatregel had moeten verlagen. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.3.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het Uwv, gelet op de bij hem vastgestelde diagnose van ASS, PDD-NOS, contact met hem had moeten opnemen toen zijn aanvraag om een WW-uitkering uitbleef na het besluit van 13 maart 2017 tot beëindiging van de ZW-uitkering per 14 april 2017. Van het Uwv kan niet worden verlangd dat bij iedere beëindiging van een uitkeringsrecht wordt nagegaan of de betrokkene voor een andere uitkeringsrecht in aanmerking komt en dat bij de betrokkene navraag wordt gedaan als een aanvraag voor een ander uitkeringsrecht uitblijft. De omstandigheden van appellant geven geen aanleiding om in zijn geval tot een andere conclusie te komen.

5. Uit 4.2 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2020.

(getekend) S. Wijna

(getekend) M. Graveland