Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1700

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
16/3164 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de door de deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. De reactie van appellant van 16 oktober 2019 op het rapport van de deskundige geeft geen aanleiding te twijfelen aan het oordeel van de deskundige. Nu het Uwv op 17 september 2019 een FML heeft vastgesteld die geheel in overeenstemming is met de voorstellen van de deskundige wordt geoordeeld dat met deze FML de belastbaarheid van appellant op de juiste wijze is weergegeven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 13 november 2019 inzichtelijk uiteengezet dat appellant uitgaande van de FML van 17 september 2019 geschikt is te achten voor de onder 4.3 genoemde functies met de SBC-codes 517061, 267050 en 272043. Voorts wordt vastgesteld dat de vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55% niet wijzigt, maar dat de in het bestreden besluit vastgestelde verdiencapaciteit wel gewijzigd is. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de mate van arbeidsongeschiktheid in hoger beroep vastgesteld op 54,85%. Aangezien deze (resterende) verdiencapaciteit van belang is voor de vaststelling van de in artikel 60 van de Wet WIA bedoelde inkomenseis, wordt geoordeeld dat het bestreden besluit om deze reden in rechte geen stand kan houden. De Raad voorziet zelf en bepaalt dat de mate van arbeidsongeschiktheid en de verdiencapaciteit van betrokkene wordt vastgesteld op respectievelijk 54,85% en € 1.918,35. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3164 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 april 2016, 15/2620 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 3 augustus 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Çakal, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Çakal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

De Raad heeft het onderzoek heropend en het Uwv om een toelichting gevraagd. Het Uwv heeft een reactie ingezonden en nadere stukken ingediend. Appellant heeft hierop gereageerd.

De Raad heeft verzekeringsarts L. Greveling-Fockens (deskundige) benoemd als deskundige en haar verzocht te rapporteren. De deskundige heeft op 13 augustus 2019 rapport uitgebracht.

Appellant en het Uwv hebben een zienswijze ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als klassenassistent en leerkracht Turks. Op 27 december 2005 heeft appellant zich vanuit een situatie dat hij een Werkloosheidsuitkering ontving ziek gemeld met psychische klachten. Appellant heeft daarnaast lage rugklachten. Appellant ontvangt met ingang van 25 december 2007 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Vanaf 29 januari 2009 is appellant in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.

1.2.

Op 10 april 2014 heeft appellant aan het Uwv gemeld dat zijn gezondheid met ingang van 25 maart 2014 is verslechterd. Naast rugklachten en psychische klachten heeft appellant ook heupklachten rechts. Bij besluit van 23 september 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant meer arbeidsgeschikt is, namelijk 53,84%, maar dat de hoogte van zijn uitkering tot 1 oktober 2016 niet wijzigt.

1.3.

Bij besluit van 20 maart 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 september 2014 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv verwezen naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich kunnen vinden in de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 juli 2014. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 53,92%. De resterende verdiencapaciteit bedraagt € 1.957,50 per maand.

2.1.

In beroep heeft appellant aangevoerd dat de artsen van het Uwv zijn beperkingen te licht hebben ingeschat. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een arbeidsdiagnostisch rapport van 18K ingebracht, waarvan een medisch onderzoek van verzekeringsarts E. Siem-Yoe deel uitmaakt, alsmede een arbeidspsychologisch advies van de registerpsychologen drs. R.M.T. Mokveld en S.C.L. Leeuwenburgh.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de in beroep ingebrachte medische stukken geen aanknopingspunten gezien om te twijfelen aan de juistheid van het medisch standpunt van het Uwv. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde beperkingen in de FML van 11 juli 2014 hebben de arbeidsdeskundige en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende overtuigend gemotiveerd dat de bij de schatting geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant onder toezending van een nader rapport van Siem-Yoe van 30 januari 2017 en informatie van plastisch chirurgen A. Damen en B. van Nimmen herhaald dat de artsen van het Uwv zijn beperkingen, onder meer ten aanzien van concentratie en knijpkracht, te licht hebben ingeschat en onvoldoende gewicht hebben gehecht aan de conclusies uit het arbeidsdiagnostisch rapport van 18K. Ter zitting van de Raad op 12 april 2018 heeft appellant benadrukt dat er sprake is van een wisselwerking tussen de fysieke en psychische beperkingen en dat aanhoudende pijnklachten leiden tot aanzienlijke spanningen, slapeloosheid en inactiviteit, wat weer een negatieve invloed heeft op het persoonlijk en sociaal functioneren. Hij heeft een lage concentratie en een beperkt werkgeheugen. Appellant heeft in dit verband benoemd dat hij in het verleden beperkt is geacht voor herinneren.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad heeft aanleiding gezien zich te laten adviseren door een deskundige, gelet op de uiteenlopende medische standpunten over de belastbaarheid van appellant.

4.2.

De deskundige heeft dossieronderzoek verricht en heeft informatie ingewonnen bij de huisarts van appellant. De deskundige heeft in haar rapport van 13 augustus 2019 gerapporteerd zich niet geheel te kunnen verenigen met de in de FML van 11 juli 2014 opgenomen beperkingen. De deskundige heeft het aannemelijk geacht dat er op de datum in geding in enige mate reeds sprake was van beperkingen van de niet dominante linkerhand/pols. De deskundige heeft het niet aannemelijk geacht dat er toen reeds sprake was van zodanig pijnklachten dat op basis daarvan een verminderde energetische belastbaarheid en/of urenbeperking aan de orde was. De deskundige heeft verder overwogen dat er bijna altijd een wisselwerking is tussen fysieke en psychische klachten en dat deze elkaar kunnen versterken. De deskundige heeft appellant aanvullend beperkt geacht voor werken boven schouderhoogte links (rechts normaal) en voor schroefbewegingen met hand en arm aan de niet dominante linkerzijde. Over de beperking in de FML op item 1.8.1 (niet op gevaarlijke plaatsen, op hoogtes, bij draaiende machines en drukke verkeersknooppunten, oppassen met chauffeurswerkzaamheden) heeft de deskundige geoordeeld dat deze beperking op de datum in geding niet van toepassing was.

4.3.

Het rapport van de deskundige is voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding geweest de FML geldend per 25 maart 2014 aan te passen conform het rapport van de deskundige. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperkingen vastgelegd in een FML van 17 september 2019. Op basis van deze aangepaste FML is de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van 13 november 2019 tot de conclusie gekomen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functie bestucker met de SBC-code 267050 (Wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur) niet langer passend is, maar dat er voldoende voor appellant geschikte functies resteren. De voor appellant geselecteerde functies met de SBC‑codes 111180 (productiemedewerker industrie), 515080 (administratief medewerker afhandelingen) en 315132 (archiefmedewerker) vallen binnen de voor appellant vastgestelde belastbaarheid. De mate van arbeidsongeschikt is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgesteld op 54,85%, waardoor appellant ongewijzigd in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55% valt. De resterende verdiencapaciteit bedraagt € 1.918,35 per maand.

4.4.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de door de deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. De wijze waarop in het rapport is ingegaan op de verschillende klachten van appellant, de informatie uit de behandelend sector en de arbeidsdiagnostische rapporten van 18K die in de beoordeling zijn betrokken, geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en de verslaglegging daarvan is inzichtelijk en consistent.

4.5.

De reactie van appellant van 16 oktober 2019 op het rapport van de deskundige geeft geen aanleiding te twijfelen aan het oordeel van de deskundige. De door appellant, onder verwijzing naar de rapporten van 18K naar voren gebrachte argumenten, zijn beoordeeld en besproken door de deskundige. De bijgevoegde informatie van neuroloog N.E. Synhaeve van 3 september 2019 heeft geen betrekking op de datum in geding.

4.6.

Nu het Uwv op 17 september 2019 een FML heeft vastgesteld die geheel in overeenstemming is met de voorstellen van de deskundige wordt geoordeeld dat met deze FML de belastbaarheid van appellant op de juiste wijze is weergegeven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 13 november 2019 inzichtelijk uiteengezet dat appellant uitgaande van de FML van 17 september 2019 geschikt is te achten voor de onder 4.3 genoemde functies met de SBC-codes 517061, 267050 en 272043. De toelichting op de signaleringen is terug te vinden in het resultaat functiebeoordeling, het rapport van de arbeidsdeskundige van 18 november 2014 en de rapporten van 19 maart 2015, 16 november 2015 en 13 november 2019 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Voorts wordt vastgesteld dat de vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55% niet wijzigt, maar dat de in het bestreden besluit vastgestelde verdiencapaciteit wel gewijzigd is. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de mate van arbeidsongeschiktheid in hoger beroep vastgesteld op 54,85%. Aangezien deze (resterende) verdiencapaciteit van belang is voor de vaststelling van de in artikel 60 van de Wet WIA bedoelde inkomenseis, wordt geoordeeld dat het bestreden besluit om deze reden in rechte geen stand kan houden. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, betekent dit dat het beroep gegrond moet worden verklaard en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Dit betekent tevens dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

4.7.

De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat de mate van arbeidsongeschiktheid en de verdiencapaciteit van betrokkene wordt vastgesteld op respectievelijk 54,85% en € 1.918,35.

5. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de in bezwaar gemaakte kosten en in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in bezwaar, € 1.050,- in beroep en € 1.575,- in hoger beroep, in totaal € 3.675,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant en de verdiencapaciteit respectievelijk is vastgesteld op 53,92% en € 1.957,50;

- bepaalt dat de mate van arbeidsongeschiktheid en de resterende verdiencapaciteit van appellant per 25 maart 2014 worden vastgesteld op 54,85% en € 1.918,35 en dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.675,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2020.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) M. Graveland