Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1691

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
17/3930 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering ten onrechte beëindigd. De door de Raad geraadpleegde deskundige heeft geconcludeerd dat appellante meer beperkt was dan door de verzekeringsartsen is aangenomen. De door hem gestelde diagnose leidt tot beperkingen in met name het persoonlijk en sociaal functioneren. Volgens deze deskundige geven zowel de depressie als de complexe PTSS concentratie- en geheugenproblemen en problemen met slapen, waardoor appellante niet in staat is 8 uur per dag, 40 uur per week te werken. Hieruit voortvloeiend acht de deskundige appellante niet in staat tenminste één van de EZWb functies ter verrichten. Per functie is specifiek toegelicht waarom de belasting in die functie de belastbaarheid van appellante overschrijdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3930 ZW

Datum uitspraak: 31 juli 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 april 2017, 16/8134 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. van Medenbach de Rooij, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 26 mei 2017 heeft mr. E.A.M. Brouwers-Bouwman zich gesteld als gemachtigde van appellante.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwers-Bouwman. Het Uwv heeft zich ter zitting niet laten vertegenwoordigen.

De Raad heeft het onderzoek heropend teneinde een psychiater als deskundige te benoemen.

Psychiater prof. dr. G. Glas is als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft op 14 november 2019 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben op het deskundigenrapport gereageerd.

De meervoudige kamer van de Raad heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als inpakker/hulpkok voor 40 uur per week. Op 3 juli 2013 heeft zij zich ziek gemeld met gewrichtsklachten en rugklachten. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) hebben een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar arbeid als inpakker/hulpkok, maar op basis van haar belastbaarheid als vastgesteld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 8 mei 2014 werd zij wel tot het vervullen van de functies productiemedewerker textiel, wikkelaar en voedingsassistent in staat geacht. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 1 juli 2014 vastgesteld dat appellante per 3 augustus 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij per 2 juli 2014 meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

1.3.

Appellante heeft zich op 30 december 2015 per 20 oktober 2015 ziekgemeld met psychische klachten. Appellante heeft op 14 april 2016 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft appellante per datum ziekmelding 20 oktober 2015, subsidiair per
15 april 2016, geschikt geacht voor tenminste één van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 14 april 2016 vastgesteld dat appellante per 20 oktober 2015, subsidiair per 15 april 2016, geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van
31 augustus 2016 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dat besluit is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 augustus 2016 ten grondslag gelegd.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante het standpunt gehandhaafd dat haar beperkingen zijn onderschat. Appellante is van mening dat met medische informatie van behandelend (GZ)psychologen is aangetoond dat zij lijdt aan een ernstige depressie en PTSS. Appellante heeft hierdoor concentratieproblemen, is vergeetachtig en slaapt slecht, waardoor de pijnklachten in onder meer haar rug toenemen. Appellante is niet in staat fulltime te werken en meent dat een urenbeperking is aangewezen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

3.3.1.

De Raad heeft psychiater psychiater Glas als deskundige benoemd. De deskundige heeft appellante, in samenwerking met H. Bor (arts in opleiding tot psychiater), onderzocht en op 14 november 2019 gerapporteerd. De deskundige heeft op basis van het eigen onderzoek en de informatie van de behandelend psycholoog (behandelrapportages en de brief van 5 oktober 2016) geconcludeerd dat er bij appellante op de datum in geding van 15 april 2016 sprake was van een matig, ernstig depressief toestandsbeeld, recidiverend, lang bestaand, naast een complexe PTSS en paniekaanvallen zonder paniekstoornis. Volgens de deskundige zijn de verzekeringsartsen ten onrechte uitgegaan van de diagnose recidiverende depressie matig van ernst in remissie en hebben zij ten onrechte geconcludeerd dat het ziekteproces dusdanig stabiel/stationair is dat appellante voldoende belastbaar is gebleven om de functies te kunnen verrichten. De deskundige heeft concreet gewezen op de discrepantie tussen de anamnese van de verzekeringsarts en het psychisch onderzoek als beschreven in zijn rapport van april 2016. Het rapport van de verzekeringsarts stelt in de anamnese dat appellante “niet kan slapen, veel huilt, niks wil doen, geen zin heeft, prikkelbaar is, snel boos wordt en last heeft van hartkloppingen en hyperventilatie”, terwijl in de bevindingen bij het onderzoek van de psyche is opgenomen dat appellante “geen depressieve indruk maakt, een goede concentratie en aandacht heeft, een goed geheugen, en dat er geen sprake is van lusteloosheid, geen slaapstoornissen of vermoeidheid”. Een verklaring voor deze discrepantie komt volgens de deskundige niet uit het verzekeringsgeneeskundig rapport naar voren. De verzorgde presentatie van appellante, kan volgens de deskundige niet als zo’n verklaring dienen. De deskundige heeft het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van november 2016 eveneens inconsistent geacht. Hij heeft er op gewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten opzichte van de beoordeling door de verzekeringsarts aanvullend een chronische stemmingsstoornis (en niet een depressie in remissie) en een PTSS matig tot ernstig aanneemt, maar vervolgens wel heeft geconcludeerd dat niet is gebleken dat de verzekeringsarts een onjuist of onvolledig beeld had van de gezondheidstoestand van appellante en de daaruit voortvloeiende medische beperkingen en er daarom geen noodzaak is van diens oordeel af te wijken. Dit acht de deskundige opmerkelijk en onjuist. Verder heeft hij er op gewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgaat van de veronderstelling dat een depressie pas beperkingen oplevert als deze “vitaal is”. Nog los van het feit dat de term vitaal in de huidige normencultuur in de psychiatrie geen plaats meer heeft, kunnen ook matig ernstige depressies tot aanzienlijke beperkingen leiden, afhankelijk van hoe iemands leven er uitziet, iemands persoonlijkheid, copingvaardigheden, culturele context en wat er verder psychiatrisch aan de hand is.

3.3.2.

De deskundige heeft geconcludeerd dat appellante meer beperkt was dan door de verzekeringsartsen is aangenomen. De door hem gestelde diagnose leidt tot beperkingen in met name het persoonlijk en sociaal functioneren. Er zijn problemen met concentreren en aandacht, verdelen van de aandacht, herinneren, doelmatig en zelfstandig handelen, verlaagd handelingstempo, afhankelijkheid van routine, feedback, voorspelbaarheid, geen storingen, geen pieken of deadlines en geen hoog tempo. In het sociaal functioneren zijn benoemd problemen in het hanteren van emotionele problemen van anderen, hanteren van eigen gevoelens, omgaan met conflicten, samenwerken en in vervoer. Volgens de deskundige geven zowel de depressie als de complexe PTSS concentratie- en geheugenproblemen en problemen met slapen, waardoor appellante niet in staat is 8 uur per dag, 40 uur per week te werken. Hieruit voortvloeiend acht de deskundige appellante niet in staat tenminste één van de EZWb‑functies ter verrichten. Per functie is specifiek toegelicht waarom de belasting in die functie de belastbaarheid van appellante overschrijdt.

3.4.

In reactie op het deskundigenrapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich in een rapport van 16 december 2019 op het standpunt gesteld dat uit het rapport niet is af te leiden of het onderzoek is verricht en het rapport is opgesteld door de arts in opleiding en door de psychiater is gecontrasigneerd, of dat er een andere werkwijze is gevolgd. Het Uwv heeft er voorts op gewezen dat de door de deskundige gestelde beperkingen niet in de systematiek van het CBBS passen. Deze worden slechts zo benoemd bij ernstige psychiatrie als psychose of schizofrenie. Volgens het Uwv zijn aan de gestelde stemmingsstoornis reeds beperkingen verbonden. Op basis daarvan zijn functies geselecteerd die voor appellante passend zijn. Het Uwv is van mening dat de deskundige niet kan worden gevolgd in zijn conclusies.

3.5.

Appellante heeft zich volledig kunnen vinden in het deskundigenrapport. Appellante is van mening dat het Uwv de deskundigheid van de deskundige ten onrechte in twijfel heeft getrokken. Appellante heeft er op gewezen dat het deskundigenrapport voldoet aan de Gedragscode voor gerechtelijk deskundige in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken (Gedragscode).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De conclusie van de deskundige is navolgbaar. De reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft, in het licht van het eerder vermelde uitgangspunt, onvoldoende grondslag om voorbij te gaan aan de gerapporteerde bevindingen en de daaruit getrokken conclusies van de deskundige. Het Uwv heeft het standpunt van appellante dat het deskundigenrapport voldoet aan de Gedragscode, verder niet betwist. Verder geldt dat, ook al zouden de beperkingen die de deskundige heeft aangenomen, zoals door het Uwv is benadrukt, niet allemaal volledig passen in het systeem van het CBBS, dat niet afdoet aan de opmerkingen die de deskundige heeft gemaakt over de consistentie van de rapporten van de verzekeringsartsen zelf. Alleen al die opmerkingen rechtvaardigen de conclusie dat de bewuste rapporten het genomen besluit niet kunnen dragen. De Raad ziet al met al aanleiding om de deskundige te volgen in zijn oordeel dat appellante op de data in geding niet in staat was om tenminste één van de EZWb-functies te verrichten.

4.2.

Hieruit volgt dat de rechtbank ten onrechte de juistheid heeft onderschreven van de door het Uwv voor zijn besluitvorming tot uitgangspunt genomen belastbaarheid van appellante. De rechtbank heeft het bestreden besluit, waarin ervan is uitgegaan dat appellante op
20 oktober 2015, subsidiair 15 april 2016, in staat zou zijn om tenminste één van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies te verrichten, ten onrechte in stand gelaten.

4.3.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Gezien het overwogene onder 4.1 bestaat er aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 31 augustus 2016 te vernietigen en het besluit van 14 april 2016 geheel te herroepen.

5. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (beroepschrift en verschijnen ter zitting) en € 1.312,50 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (hoger beroepschrift, zitting, schriftelijke zienswijze na deskundigenrapport), totaal € 2.362,50.Verder moeten de door appellante gemaakte reiskosten voor de onderzoeken door de deskundige, de zitting in beroep en in hoger beroep worden vergoed op basis van openbaar vervoer tweede klasse, zijnde in totaal € 140,35. De door het Uwv te vergoeden proceskosten bedragen in totaal € 2.502,85.

BESLISSING

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 31 augustus 2016;

- herroept het besluit van 14 april 2016 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 31 augustus 2016;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 2.502,85;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. van de Griend als voorzitter, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2020.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) E.D. de Jong