Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1666

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
17/7525 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:7725, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Niet gemelde, op geld waardeerbare werkzaamheden in zelf opgerichte stichting. Door schending inlichtingenverplichting is recht niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7525 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 28 juli 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

13 oktober 2017, 16/7737 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J.M. van Daalhuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben een kennisgeving voor de zitting van 31 maart 2020 ontvangen. In verband met de uitbraak van het coronavirus kon deze zitting niet doorgaan.

Partijen hebben daarna verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 29 april 2005 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Appellant is met toestemming van het college 25 uur per week werkzaam als vrijwilliger bij [stichting 1] ( [stichting 1] ).

1.2.

Het college heeft op 3 november 2015 een melding ontvangen van de Belastingdienst, onder andere inhoudende dat een tipgever bij de Belastingdienst te kennen heeft gegeven dat appellant onder de dekmantel van [stichting 1] bedrijfsmatige activiteiten uitvoert. Naar aanleiding van deze melding heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft het college onder meer dossieronderzoek verricht en het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) geraadpleegd. Hieruit bleek dat [stichting 1] op 9 september 2015 is uitgeschreven uit de KvK en dat appellant op 21 september 2015 [stichting 2] ( [stichting 2] ) heeft opgericht waarvan hij voorzitter, secretaris en penningmeester is. Uit de statuten blijkt dat [stichting 2] ten doel heeft de in- en verkoop van nieuwe en tweedehands goederen, alsmede markt- en straathandel en het organiseren van vlooienmarkten. Appellant heeft de oprichting van [stichting 2] niet gemeld bij het college. Tijdens een gesprek op 8 april 2016 heeft appellant verklaard dat hij bijna € 8.000,- spaargeld in [stichting 2] heeft gestoken en dat hij de boekhouding en de in- en verkoop van goederen voor [stichting 2] doet. Hij verricht ongeveer vijftig uur per week werkzaamheden voor [stichting 2] en werkt van dinsdag tot en met zaterdag. Hij doet de verkoop, anderen zetten de spullen klaar. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 27 mei 2016.

1.3.

Bij besluit van 27 mei 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 oktober 2016 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 21 september 2015 en de kosten van bijstand over de periode van 21 september 2015 tot en met 29 februari 2016 van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 6.598,11. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij een nieuwe stichting heeft opgericht en voor deze stichting op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of appellant vanaf 21 september 2015 recht heeft op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 21 september 2015 tot en met 27 mei 2016.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat geen sprake is van op geld waardeerbare werkzaamheden. Hij heeft geen geldelijke vergoeding gekregen voor zijn bemoeienissen met [stichting 2] . Er waren veel problemen met de vestigingslocatie van de stichting en er was geen verkoopvergunning afgegeven. Hierdoor was appellant noodgedwongen tijdelijk voorzitter, penningmeester en secretaris en moest hij meer dan vijftig uur per week wijden aan [stichting 2] . Zodra er uitzicht was op een vestigingslocatie waar wel verkoop was toegestaan was de eerder door appellant genoemde vijftig uur per week niet meer aan de orde voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Zijn insteek was om vijfentwintig uur per week vrijwilligerswerk te blijven verrichten.

4.2.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft zelfstandig de volledige zeggenschap over de [stichting 2] gehad. Uit de stukken in het dossier blijkt verder dat appellant aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2015 en over 2016 heeft gedaan voor [stichting 2] . Daarnaast heeft appellant verklaard dat hij eigen middelen in [stichting 2] heeft gestoken en dat hij de boekhouding en inkoop en verkoop van goederen doet voor [stichting 2] . Gelet hierop moeten appellant en de [stichting 2] worden vereenzelvigd voor de vraag aan wie de werkzaamheden moeten worden toegerekend. Daarnaast volgt uit de gedingstukken dat appellant voor [stichting 2] tegen betaling huizen leeghaalde. Gelet op de aard van de werkzaamheden en nu daarover omzetbelasting wordt afgedragen, kan appellant niet volhouden dat zijn werkzaamheden voor [stichting 2] niet op geld waardeerbaar zijn.

4.2.2.

Gelet op 4.2.1 bieden de onderzoeksresultaten voldoende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Het betoog van appellant dat hij geen vergoeding heeft ontvangen voor zijn bemoeienis met [stichting 2] , baat hem dan ook niet.

4.3.

Appellant heeft ook aangevoerd dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Het college was bekend met het feit dat hij sinds 2005 vrijwilligerswerk verricht bij [stichting 1] . Omdat [stichting 1] financieel op omvallen stond is appellant geadviseerd door financieel adviseurs om een nieuwe stichting op te richten voor de kringloopwinkel met een nieuwe vestigingslocatie om met een schone lei te beginnen. Appellant vertrouwde op dat advies en heeft daarom een nieuwe stichting opgericht. Hij heeft zich niet gerealiseerd dat hij de oprichting van de nieuwe stichting moest melden bij het college omdat er voor hem praktisch niets veranderde. Daarnaast is appellant door zijn medische situatie niet in staat dit soort situaties ter hand te nemen en wist hij niet dat hij alle bestuursfuncties vervulde.

4.3.1.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De gecombineerde functie van voorzitter, secretaris en penningmeester van een stichting die commerciële activiteiten uitvoert is een feit dat onmiskenbaar van belang is of kan zijn voor bijstandsverlening. Zie de uitspraak van 19 mei 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1151. Uit de zogenoemde RAAK rapportage, overgelegd door het college blijkt dat appellant op 3 december 2015 een voortgangsgesprek heeft gehad met een medewerker van het college. Tijdens dit gesprek heeft appellant te kennen gegeven dat hij nog steeds actief is bij [stichting 1] terwijl deze stichting op 9 september 2015 was uitgeschreven uit de KvK en dat hij op 21 september 2015 [stichting 2] heeft opgericht. Daarmee heeft appellant opzettelijk een onjuiste voorstelling van zake gegeven en daarmee deels onjuiste mededelingen gedaan en deels relevante gegevens verzwegen. Het betoog van appellant dat hij niet wist dat hij alle bestuursfuncties vervulde, faalt reeds omdat appellant door de door hem zelf getekende oprichtingsakte van de [stichting 2] die functies heeft verkregen. De gestelde medische situatie van appellant doet aan voorgaande niet af. De in artikel 17 van de PW neergelegde verplichting is een objectief geformuleerde verplichting waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. Dat appellant niet in staat was deze relevante gegevens te melden wordt weersproken door de omstandigheid dat appellant blijkbaar wel in staat was [stichting 2] in te schrijven bij de KvK. Voorgaande betekent dan ook appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door de oprichting van de [stichting 2] niet te melden.

4.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellant is hierin niet geslaagd. De enkele stelling dat er door opstartproblemen weinig activiteit is geweest van [stichting 2] en dat hierdoor de financiële stromen zeer overzichtelijk en tot een minimum beperkt zijn, is daartoe onvoldoende. Niet in geschil is dat appellant geen administratie heeft bijgehouden van de omvang van de werkzaamheden. Er bestaat dus geen enkel inzicht in de omvang van de werkzaamheden en over de inkomsten van de stichting. Daarom is niet vast te stellen over welke middelen appellant heeft beschikt of heeft kunnen beschikken.

4.5.

Appellant heeft tot slot aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Appellant is door de intrekking en terugvordering in ernstige financiële problemen gekomen en daardoor dakloos geworden. Een nieuwe aanvraag om bijstand is ook afgewezen.

4.5.1.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Van dringende redenen is sprake indien de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Appellant heeft zijn beroep op dringende redenen op geen enkele wijze onderbouwd met objectieve en verifieerbare stukken. De enkele verwijzing naar de slechte financiële omstandigheden van appellant en de omstandigheden waarin hij verkeert, is volstrekt onvoldoende voor een geslaagd beroep op dringende reden in deze zin. Dat de nieuwe aanvraag om bijstand is afgewezen, maakt dit niet anders.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

28 juli 2020.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) R.B.E. van Nimwegen