Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1662

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
17/7038 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Onvoldoende informatie verstrekt over bezit onroerende goederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7038 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 28 juli 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 september 2017, 17/1236 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Oldambt (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2.

Bij besluit van 5 juli 2016 (besluit 1) heeft het college de aanvraag van appellant van 9 juni 2016 om bijstand op grond van de Participatiewet met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld. De aanvraag van appellant was volgens het college niet voorzien van alle benodigde gegevens en appellant heeft niet voldaan aan het verzoek om de ontbrekende gegevens uiterlijk 4 juli 2016 in te leveren.

1.3.

Appellant heeft op 2 augustus 2016 opnieuw een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend, met als gewenste ingangsdatum 9 juni 2016. Bij de aanvraag heeft appellant opgegeven dat hij woningen in eigendom heeft op Curaçao en in Duitsland en dat hij uit de verhuur van deze woningen maandelijks een bedrag van € 1.800,- ontvangt. Bij besluit van 18 augustus 2016 (besluit 2) heeft het college de aanvraag afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant uit de verhuur van de woningen een inkomen ontvangt dat hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm van een alleenstaande.

1.4.

Bij besluit van 3 februari 2017 heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en daarbij de motivering van de besluiten uitgebreid. Daaraan heeft het college, voor zover hier van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Op basis van de door appellant bij de aanvraag van 2 augustus 2016 verschafte informatie over de inkomsten die hij uit verhuur ontvangt, is de aanvraag terecht afgewezen omdat hij met deze inkomsten niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Daarnaast heeft appellant onvoldoende duidelijkheid verschaft over het aantal panden dat hij bezit, de verkoop en verhuur van de panden, de exacte omvang van de huurpenningen en het wel of niet verpanden van deze huurpenningen aan de bank, de omvang van leningen van de Luxemburgse bank, de bestemmingen van deze leningen en de onderpanden hiervoor. Hiermee heeft hij onvoldoende informatie gegeven over zijn financiële situatie ten tijde van die aanvraag en kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Samengevat heeft hij aangevoerd dat uit de door hem gegeven informatie duidelijk is dat hij niet aan zijn verplichtingen uit hypotheek kan voldoen. Dit heeft ertoe geleid dat de banken de huurpenningen door middel van verpanding onder zich houden. Hij heeft dan ook niet de beschikkingsmacht over de opbrengsten uit verhuur. Volgens appellant heeft hij hiermee voldoende duidelijk gemaakt dat hij niet over vermogen dan wel inkomsten kan beschikken om in zijn levensonderhoud te voorzien en in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op de gronden die appellant heeft aangevoerd ligt in hoger beroep uitsluitend ter beoordeling voor of de afwijzing van de aanvraag om bijstand bij besluit 2 in rechte stand kan houden.

4.2.

De te beoordelen periode loopt van 9 juni 2016, de gewenste ingangsdatum van de bijstand, tot 18 augustus 2016, de datum van besluit 2.

4.3.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige opening van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.4.

Appellant heeft bij zijn aanvraag opgegeven dat hij onroerend goed in Duitsland en Curaçao bezit. Ondanks het groot aantal stukken dat hij heeft overgelegd, ontbreekt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, een met concrete objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd helder overzicht van de woningen die appellant in de te beoordelen periode in eigendom had, van de taxatiewaarde van deze woningen, van de daartegenover staande schulden en van de opbrengsten uit verhuur van die woningen. Dit betreft vooral het woningbezit op Curaçao. De overgelegde stukken hebben hoofdzakelijk betrekking op het onroerend goed in Duitsland. Appellant heeft in hoger beroep een verklaring van de Bewaarder der Openbare Registers van het Kadaster en Openbare Registers Curaçao van [datum in ] 2018, overgelegd. Deze verklaring houdt in dat sinds [datum] 2016 ten name van appellant geen onroerende zaken in het register meer voorkomen. Deze verklaring houdt – gelet op de in die verklaring genoemde datum – niets in over het bezit van onroerende zaken op naam van appellant in de te beoordelen periode, maar bevestigt door het woord “meer” veeleer dat hij in de te beoordelen periode juist wel over onroerend goed heeft beschikt. Appellant heeft van zijn kant op geen enkele wijze met verifieerbare gegevens de waarde van de woningen op Curaçao in de te beoordelen periode concreet gemaakt, dan wel opgegeven wat de opbrengst van (eventuele) verkoop van de woningen is geweest. Dit betekent dat, anders dan appellant heeft betoogd, zijn vermogenspositie in de te beoordelen periode onduidelijk is gebleven. Alleen al als gevolg hiervan kon in de te beoordelen periode het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

4.5.

Gelet op het voorgaande behoeft de vraag of en zo ja, over hoeveel inkomsten appellant uit de verhuur van de woningen kon beschikken geen bespreking.

4.6.

Uit 4.4. volgt dat het college bij besluit 2 de aanvraag terecht heeft afgewezen. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van S. Azaouagh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2020.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) S. Azaouagh