Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1659

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
18/1568 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:1108, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig huisbezoek. Geen ondubbelzinnig verkregen informed consent bij gebreke van redelijke grond voor huisbezoek. Onderzoeksresultaten uit vermogensonderzoek eveneens onrechtmatig verkregen. Betreft verboden vruchten. Rechtsgevolgen in stand gelaten op grond van in bezwaar overgelegde belastinggegevens over woning in Turkije.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2020/189
USZ 2020/225 met annotatie van Nacinovic, H.W.M.
NBJ-Pw/2020/018 met annotatie van mr. Juul Jeurissen
NBJ-Pw/2020/019 met annotatie van mr. Juul Jeurissen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1568 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 februari 2018, 17/4866 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 28 juli 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R. Kücükanal, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2020. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De Svb heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 1 december 2000, aanvankelijk alleen en later samen met appellante, in aanvulling op zijn, later hun, AOW-pensioen een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

In 2016 heeft de Svb een onderzoek naar verblijf en vermogen in het buitenland over het jaar 2015 ingesteld. Appellanten zijn in dat kader voor onderzoek geselecteerd. In het kader van dat onderzoek hebben toezichthouders op 8 augustus 2016 een vooraf aangekondigd huisbezoek afgelegd op het woonadres van appellanten. Bij aanvang van het huisbezoek is een zogenoemde Verklaring omtrent huisbezoek (Verklaring) ingevuld, die de toezichthouders en appellanten hebben ondertekend. In de Verklaring is onder meer het volgende opgenomen:

“Ik begrijp dat de medewerkers mij vragen zullen stellen;

(…)

□ over mijn vermogen

□ over mijn verblijf in het buitenland.

(…)

Tevens begrijp ik dat wanneer ik deze medewerkers geen toestemming geef om mijn woning binnen te treden,

□ dit gevolgen kan hebben voor mijn recht op pensioen of uitkering van de SVB.

□ dit geen directe gevolgen zal hebben voor mijn recht op pensioen of uitkering van de SVB.”

De eerste twee hiervoor weergegeven vakjes zijn aangekruist; het derde vakje is aangekruist en weer doorgehaald; het vierde vakje is aangekruist en ook omcirkeld.

1.3.

Tijdens het huisbezoek hebben appellanten gemeld dat appellante een woning bezit met een waarde van ongeveer € 20.000,- en daarvan opgave gedaan in een formulier Verblijf en vermogen buiten Nederland (formulier). Zij hebben op het formulier het adres van de woning vermeld en tijdens het huisbezoek desgevraagd opgave gedaan van hun Kimliknummers.

1.4.

Vervolgens heeft, in opdracht van de Svb en met tussenkomst van het Internationaal bureau Fraude, een medewerker van het Bureau Attaché Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara onderzoek verricht naar vermogen van appellanten in Turkije. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 december 2016 (rapport).

1.5.

Volgens het rapport heeft de medewerker op 22 november 2016 een bezoek gebracht aan de afdeling onroerend goedbelasting van de gemeente [gemeente] en heeft toen een medewerker van die afdeling verklaard dat op naam van appellante op het door haar opgegeven adres sinds 1974 een appartement staat geregistreerd waarvan zij de volledige eigendom heeft (woning). De woning is op 4 december 2016 door een lokale makelaar getaxeerd op € 24.000.

1.6.

De Svb heeft bij besluit van 16 januari 2017 de uitbetaling van de AIO-aanvulling met ingang van 1 januari 2017 geblokkeerd. De Svb heeft voorts in de onderzoekresultaten aanleiding gezien om bij besluiten van 9 maart 2017, gehandhaafd bij besluit van 30 juni 2017 (bestreden besluit), het recht op AIO-aanvulling per 1 januari 2007 in te trekken en de kosten van AIO-aanvulling over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2016 tot een bedrag van € 66.837,72 van appellanten terug te vorderen. Aan het bestreden besluit heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellanten beschikken over vermogen boven het voor hen geldende vrij te laten vermogen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de volgende gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De Svb heeft niet alle gedingstukken overgelegd die betrekking hebben op de integrale controle van alle AIO-gerechtigden. De waarde van de woning is onjuist vastgesteld. Uitgangspunt moet zijn het overzicht aangifte gegevens belastingplichtige van 3 april 2017 bij de gemeente [gemeente] (Overzicht aangifte). Het huisbezoek is onrechtmatig en daarom is het bewijs onrechtmatig verkregen. Subsidiair hebben appellanten aangevoerd dat de terugvordering onevenredig is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 januari 2007, de datum met ingang waarvan de AIO-aanvulling is ingetrokken, tot en met 9 maart 2017, de dagtekening van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Appellanten hebben in de eerste plaats aangevoerd dat de Svb onvoldoende heeft aangetoond dat het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een integrale controle van het AIO-bestand en wensen inzage in de stukken waaruit dat blijkt. De Raad begrijpt dat appellanten betogen dat de Svb niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingediend en dat zij de Raad, onder verwijzing naar artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), verzoeken bij de Svb ontbrekende stukken op te vragen. Aan dit verzoek zal de Raad niet tegemoetkomen.

4.2.1.

Uit de door de Svb overgelegde stukken blijkt genoegzaam dat het onderzoek naar het vermogen van appellanten is uitgevoerd in het kader van het project onderzoek vermogen 2013-2019, waarvan de rechtmatigheid is beoordeeld in de uitspraak van 8 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3295. Voorafgaand aan het onderzoek heeft de Svb in 2015 aan appellanten een formulier “Verblijf en vermogen buiten Nederland” toegezonden, dat op 18 maart 2015 door hen ingevuld is geretourneerd. Die handelwijze strookt met de in rechtsoverweging 1.2 van genoemde uitspraak beschreven opzet van het onderzoek dat voorziet in een gefaseerd onderzoek van alle AIO-gerechtigden in die jaren, waarbij elk jaar een zevende deel van het AIO-klantenbestand, aangevuld met kleine steekproeven onder specifieke delen van het klantenbestand, wordt gecontroleerd. Daartoe wordt jaarlijks aan ruim 7.000 AIO-gerechtigden het formulier “Verblijf en vermogen buiten Nederland” toegestuurd. Het onderzoek in 2015 was gericht op de in Turkije geboren klanten. De Raad heeft in dat licht geen aanleiding om te oordelen dat de Svb niet overeenkomstig artikel 8:42 van de Awb alle op de hier voorliggende zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.

4.3.

Appellanten hebben voorts aangevoerd dat het huisbezoek niet in overeenstemming met het recht op respect voor het privéleven, zoals onder meer neergelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is uitgevoerd, omdat de toezichthouders bij aanvang van het huisbezoek hebben meegedeeld dat een weigering van het huisbezoek gevolgen zou hebben voor de bijstandsverlening. Volgens appellanten mogen de gegevens, verkregen als gevolg van de schending van dat recht, daarom niet aan de besluitvorming ten grondslag worden gelegd. Deze beroepsgrond slaagt.

4.3.1.

Artikel 8, eerste lid, van het EVRM bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2410) is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van ‘informed consent’. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de (verdere) verlening van bijstand heeft. Welke gevolgen voor de bijstandsverlening zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning hangt af van het antwoord op de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan – dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van – het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek, dan dient de belanghebbende erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. Ontbreekt een redelijke grond, dan moet de belanghebbende erop worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen (directe) gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De bewijslast ten aanzien van het ‘informed consent’ bij het binnentreden in de woning berust op het bestuursorgaan. Zie ook de uitspraak van 24 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4057. Over het antwoord op de vraag of ‘informed consent’ is verleend, mag redelijkerwijs geen twijfel bestaan.

4.3.2.

Niet in geschil is dat er geen redelijke grond voor het huisbezoek was. Dat betekent dat aan appellanten bij de aanvang van het huisbezoek had moeten worden meegedeeld dat een weigering van het huisbezoek geen gevolgen zou hebben voor de bijstandsverlening. Uit de Verklaring blijkt niet onmiskenbaar dat dit aan appellanten is meegedeeld. Bij de zinsnede “dat (…) dit gevolgen kan hebben voor mijn recht op pensioen of uitkering van de SVB” staat een kruisje dat is doorgehaald. Volgens een telefoonrapport van 26 juni 2016 heeft de betrokken ambtenaar verklaard dat dit is gebeurd, omdat hij een aantal formulieren waaronder dit formulier vooraf had ingevuld en dat niet meer tijdig kon corrigeren en heeft hij niet per ongeluk het verkeerde gezegd. Hiermee is niet buiten twijfel komen vast te staan dat de betreffende toezichthouders appellanten bij aanvang van het huisbezoek hebben verteld dat weigering geen gevolgen zou hebben. Niet duidelijk is waarvoor appellanten hebben getekend, nu de doorhaling van het kruisje niet is voorzien van een paraaf. Bovendien valt niet met zekerheid vast te stellen dat wat de betrokken ambtenaar heeft verklaard met betrekking tot een aantal formulieren, ook in dit geval zo is gegaan. Wat in het rapport staat, laat in ieder geval ruimte voor een andere uitleg. Daarin staat immers dat de toezichthouders betrokkenen hebben meegedeeld wat de gevolgen zouden zijn bij een eventuele weigering. Daar staat niet dat de toezichthouders hebben meegedeeld dat weigering geen gevolgen zou hebben. Betwijfeld moet daarom worden of het ‘informed consent’ op de juiste wijze is verleend. Daaraan doet niet af dat een afschrift van de door partijen ondertekende Verklaring op 9 augustus 2016 aan appellanten is gestuurd en zij daarop niet hebben gereageerd. Nu niet is komen vast te staan dat het ‘informed consent’ op de juiste wijze is verleend, kunnen de bevindingen van het huisbezoek, waaronder de gegevens, opgenomen in de Verklaring en het formulier, niet aan de besluitvorming ten grondslag worden gelegd.

4.3.3.

De vraag is dan of de onderzoeksresultaten die zijn verkregen bij het vermogensonderzoek in Turkije, wel aan de besluitvorming ten grondslag kunnen worden gelegd. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4047) verzet geen rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel zich ertegen dat het bijstandverlenend orgaan na een onrechtmatig huisbezoek een nader onderzoek instelt naar de rechtmatigheid van verleende of nog te verlenen bijstand en de bevindingen van een dergelijk onderzoek bij de beoordeling van het recht op bijstand betrekt. Dat betekent dat de omstandigheid dat een huisbezoek onrechtmatig is, in beginsel niet meebrengt dat de bevindingen uit een nader onderzoek niet mogen worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op bijstand van degene jegens wie dat huisbezoek onrechtmatig is. Dit is anders indien het bijstandverlenend orgaan in redelijkheid geen gebruik kon maken van de bevoegdheid tot het instellen van een nader onderzoek of van de daardoor verkregen onderzoeksresultaten, gelet op de wijze waarop dat in het concrete geval is gebeurd. Dat geval doet zich hier voor. Aanleiding voor het vermogensonderzoek in Turkije was de mededeling van appellanten tijdens het huisbezoek dat appellante een woning in [gemeente] op het onder 1.3 genoemde adres in eigendom had. Dat gegeven is bij het vermogensonderzoek in Turkije geverifieerd. Het onderzoek dat op 22 november 2016 heeft plaatsgevonden, is daarmee uitsluitend een vervolg op en onlosmakelijk verweven met de bevindingen van het onrechtmatige huisbezoek. Dat heeft tot gevolg dat de bevindingen van dat onderzoek als zogenoemde verboden vruchten van het huisbezoek van bewijs moeten worden uitgesloten.

4.4.

Wat onder 4.3 tot en met 4.3.3 is overwogen, betekent dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust en daarom niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

4.5.

De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Daartoe is het volgende van belang.

4.5.1.

In bezwaar hebben appellanten een Overzicht aangifte overgelegd. Daarin is opgenomen dat appellante de woning op 1 januari 1974 heeft verworven en dat de belastbare marktwaarde op 3 april 2017 TL 56.000,- was. Deze door appellanten uit eigen beweging overgelegde gegevens zijn niet te beschouwen als uitsluitend een vervolg op en onlosmakelijk verweven met de bevindingen van het onrechtmatige onderzoek naar vermogen van appellanten in Turkije en mogen daarom door het college wel bij de besluitvorming worden betrokken. Deze gegevens zijn voldoende voor de conclusie dat appellanten de gehele te beoordelen periode over een woning in Turkije beschikten. Immers, volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 12 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3136) rechtvaardigt de registratie van eigendom in een belastingregister de vooronderstelling dat – behoudens tegenbewijs dat hier ontbreekt – appellante in de te beoordelen periode eigenaresse was van de woning. Door dit niet te melden hebben appellanten de inlichtingenverplichting geschonden.

4.5.2.

Het Overzicht aangifte vermeldt niet wat de aankoopprijs van de woning was en ook niet wat de waardeontwikkeling van de woning nadien was. Objectieve en verifieerbare gegevens over de waarde van de woning in de te beoordelen periode ontbreken. Wel wordt in het Overzicht aangifte de belastbare marktwaarde over de jaren 2014-2017 weergegeven die liep van TL 50.981,08 tot TL 56.106,69. Van de in het Overzicht aangifte genoemde waarden kan echter niet worden uitgegaan, deels omdat die zien op data die liggen na afloop van de te beoordelen periode. Verder geldt dat volgens vaste rechtspraak aan de waarde die wordt opgegeven voor de onroerende zaakbelasting in Turkije geen betekenis wordt toegekend. Daarbij is van belang dat de heffing van de onroerende zaakbelasting plaatsvindt naar opgave van de waarde van de onroerende zaak door de belastingplichtige eigenaar, die baat heeft bij vaststelling van een lage waarde (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 10 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3980 en 6 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2615). Dit betekent dat de waarde van de woning in de te beoordelen periode en daarmee het recht op bijstand over te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Dit is het gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting door appellanten. Daarmee bestaat grond voor de intrekking en terugvordering van de AIO-aanvulling over de te beoordelen periode. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen dus op die grond in stand gelaten worden.

4.5.3.

Appellanten hebben aangevoerd dat de Svb moet afzien van terugvordering of deze had moeten matigen omdat de terugvordering onevenredig is en hebben daarbij gewezen op het Overzicht aangifte, waaruit volgt dat de terugvordering niet in verhouding staat tot de waarde van de woning. Deze beroepsgrond slaagt niet omdat aan de hand van dat Overzicht aangifte – zoals hiervoor is overwogen – de waarde van de woning niet kan worden vastgesteld, en dus ook niet of sprake is van een onevenredigheid.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze worden begroot op € 1.050,- in beroep en € 1.050,- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 2.100,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 30 juni 2017;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 2.100,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en P.W. van Straalen en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2020.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J.B. Beerens