Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1621

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
18/6201 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Recht niet vast te stellen door geen duidelijkheid te verstrekken over financiële situatie. Kasstortingen, contant betaalde bedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6201 PW

Datum uitspraak: 28 juli 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 26 oktober 2018, 18/984 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] en [appellante] te [woonplaats] (appellanten)

het dagelijks bestuur van Kompas (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. ing. J.G. van Ek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2020. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. ing. Van Ek. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.M. Limpens, die door middel van videobellen heeft deelgenomen aan de zitting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten woonden, samen met hun meerderjarige zoon X, in een woning in [plaatsnaam] (uitkeringsadres). Zij ontvingen vanaf 12 mei 2010 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden met één kostendelende medebewoner.

1.2.

Bij besluit van 2 november 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 maart 2018, heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellanten met ingang van 25 oktober 2017 ingetrokken. Het dagelijks bestuur heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de exploitatie van drie in werking zijnde hennepplantages die op 25 oktober 2017 op het uitkeringsadres zijn aangetroffen, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellanten hebben tegen het besluit van 27 maart 2018 geen beroep ingediend.

1.3.

Op 20 november 2017 hebben appellanten zich gemeld om opnieuw bijstand aan te vragen. Naar aanleiding van deze melding heeft het dagelijks bestuur appellanten bij brief van 23 november 2017 verzocht uiterlijk 30 november 2017 onder meer bankafschriften van de laatste drie maanden in te leveren. Op 28 november 2017 hebben appellanten een aanvraag om bijstand ingediend. Appellanten hebben de bankafschriften ingeleverd.

1.4.

Bij brief van 5 december 2017 heeft het dagelijks bestuur appellanten verzocht met objectieve en verifieerbare bewijsstukken aan te tonen dat zij geen kennis hadden van de op het uitkeringsadres aangetroffen hennepplantages. Het dagelijks bestuur heeft appellanten daarnaast verzocht de herkomst van het door hen op 25 oktober 2017 aan Enexis betaalde bedrag van € 4.000,- en de herkomst van de op de bankafschriften zichtbare kasstortingen van € 60,- op 7 september 2017 en van € 500,- en € 540,- op 3 oktober 2017 met objectieve en verifieerbare bewijsstukken aan te tonen. Het dagelijks bestuur heeft appellanten tevens verzocht objectieve en verifieerbare bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt hoe vanaf 14 augustus 2017 de kosten voor eten, drinken en verzorgingsproducten zijn betaald.

1.5.

Appellanten hebben op 18 december 2017 een eigen verklaring, een verklaring van X, voorzien van een identiteitsbewijs en verklaringen van een broer van appellante (A), de schoondochter van appellanten (B) en de dochter van appellanten (C), voorzien van identiteitsbewijzen, ingeleverd. Appellanten hebben in hun verklaring over het op hun bankrekening gestorte bedrag van € 60,- opgemerkt dat dit van spaargeld afkomstig is. In de verklaring van A is vermeld dat hij een bedrag van € 4.000,- aan appellante heeft geleend voor de aansluiting van gas en stroom op 25 oktober 2017. In de verklaringen van B en C is vermeld dat zij appellanten € 500,- onderscheidenlijk € 540,- hebben geleend om deze bedragen op hun bankrekening te kunnen storten. In de verklaring van C is daarnaast vermeld dat appellanten vaker bij C eten en dat zij soms boodschappen voor appellanten meeneemt.

1.6.

Het dagelijks bestuur heeft appellanten bij brief van 18 december 2017 meegedeeld dat de door appellanten ingeleverde gegevens niet voldoen aan de in de brief van 5 december 2017 gestelde eisen en hen verzocht de in die brief genoemde gegevens alsnog in te leveren. Appellanten hebben bij e‑mailbericht van 4 januari 2018 gereageerd.

1.7.

Bij besluit van 15 januari 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 april 2018 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag van appellanten afgewezen. Het dagelijks bestuur heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen duidelijkheid te verschaffen over hun financiële situatie waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellanten hebben volgens het dagelijks bestuur niet aannemelijk gemaakt dat zij de in 1.2 genoemde hennepplantages niet zelf hebben geëxploiteerd en dat zij daaruit ook overigens geen inkomsten hebben ontvangen. Appellanten hebben daarnaast de herkomst van de in 1.4 genoemde bedragen niet met objectieve en verifieerbare stukken aangetoond. Ten slotte hebben appellanten niet duidelijk gemaakt hoe zij met name in de periode van 20 september 2017 tot 9 november 2017 de kosten voor eten, drinken en verzorgingsproducten hebben betaald.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het gaat hier om een afwijzing van een aanvraag om bijstand. De te beoordelen periode loopt van 20 november 2017, de datum waarop appellanten zich hebben gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 15 januari 2018, de datum van het afwijzingsbesluit.

4.2.

Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige opening van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.

4.4.

Het dagelijks bestuur heeft het bestreden besluit gebaseerd op het standpunt dat appellanten de herkomst van het aan Enexis betaalde bedrag en van de kasstortingen niet inzichtelijk hebben gemaakt.

4.4.1.

Appellanten hebben daartegen aangevoerd dat zij opening van zaken hebben gegeven over de herkomst van het door hen aan Enexis betaalde bedrag van € 4.000,- en de kasstortingen van € 500,-, € 540,- en € 60,-. Zij hebben immers ondertekende verklaringen van familieleden overgelegd waaruit de herkomst van die bedragen blijkt.

4.4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Vaststaat dat appellanten op 25 oktober 2017 een bedrag van € 4.000,- contant aan Enexis hebben betaald. Verder staat vast dat op de bankrekening van appellant kasstortingen van € 500,-, € 540,- en € 60,- zijn ontvangen. Appellanten hebben de herkomst van die bedragen niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Dat appellante een bedrag van A heeft ontvangen is niet zichtbaar op de door appellanten ingeleverde bankafschriften. Van de op de bankrekening van appellant ontvangen kasstortingen is de herkomst evenmin zichtbaar op de bankafschriften. De achteraf opgestelde verklaringen van A, B en C dat zij bedragen aan appellanten hebben geleend zijn evenmin met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Dat A, B en C hun verklaringen hebben ondertekend en dat hun identiteiten bekend zijn, maakt de herkomst van het contante bedrag van € 4.000,- en de bedragen van de kasstortingen niet objectief en verifieerbaar. Dat appellanten, naar zij ter zitting van de Raad hebben gesteld, niet in staat zijn meer gegevens te verstrekken dan zij hebben gedaan, omdat zij betalingen veelal contant verrichten, is een omstandigheid die, gelet op de in 4.2 vermelde bewijslastverdeling, voor hun risico moet blijven.

4.5.

Het dagelijks bestuur heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat appellanten niet duidelijk hebben gemaakt hoe zij in de periode van 20 september 2017 tot 9 november 2017 de kosten voor eten, drinken en verzorgingsproducten hebben betaald.

4.5.1.

Ook wat appellanten daartegen hebben aangevoerd slaagt niet. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt niet dat zij in die periode hun boodschappen vanaf hun bankrekening hebben betaald. Het dagelijks bestuur heeft de verklaring van appellanten, dat zij het op 20 september 2017 van de bankrekening van appellant gepinde bedrag van € 100,- voor boodschappen hebben aangewend, terecht onvoldoende geacht. Daargelaten dat appellanten niet inzichtelijk hebben gemaakt dat zij dat bedrag aan boodschappen hebben besteed, is een bedrag van € 100,- ontoereikend om in een periode van omstreeks zeven weken de noodzakelijke boodschappen voor het gezin te kunnen betalen. Appellanten hebben hun stelling dat zij met familie en buren meeaten niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd en niet geconcretiseerd.

4.6.

Het dagelijks bestuur heeft zich gelet op 4.4.2 en 4.5.1 terecht op het standpunt gesteld dat appellanten onvoldoende inzicht in hun financiële situatie hebben gegeven en dat appellanten daardoor de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

4.7.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij geen weet hadden van de exploitatie van de hennepplantages op het uitkeringsadres en dat zij daaruit geen geldelijk voordeel hebben gehad. Gelet op 4.6 kan deze beroepsgrond onbesproken blijven.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en M.F. Wagner en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2020.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) A.A.H. Ibrahim