Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1620

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
19/3279 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand. Niet meewerken huisbezoek. Er is sprake van redelijke grond voor huisbezoek. Recht op bijstand niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3279 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 juni 2019, 18/5549 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Zaandam (college)

Datum uitspraak: 28 juli 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N. Velthorst, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 9 maart 2007 bijstand, laatstelijk ingevolge de

Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Op 26 maart 2018 ontving het college een anonieme melding dat appellante niet woont op het door haar opgegeven adres (uitkeringsadres), maar bij haar vriend in de gemeente A en dat in de woning op het uitkeringsadres zes mensen uit Bulgarije wonen, die aan appellante € 1.400 per maand betalen voor onderhuur.

1.2.

Naar aanleiding van de in 1.1 vermelde melding heeft een casemanager handhaving van het team Frontlijn-Handhaving van de gemeente Zaanstad (casemanager handhaving) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de casemanager handhaving dossieronderzoek gedaan en diverse registers geraadpleegd. Op 16 mei 2018 heeft deze casemanager handhaving tezamen met een andere handhavingsmedewerker onaangekondigd een huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd. Nadat de zoon van appellante hen had binnen gelaten, hebben de handhavingsmedewerkers de zoon gevraagd appellante te bellen en haar te vragen naar de woning te komen. In de woning troffen de handhavingsmedewerkers meerdere personen aan, die na identificatie van Bulgaarse afkomst bleken te zijn. Toen appellante na twintig minuten arriveerde, heeft zij haar medewerking aan het huisbezoek geweigerd en meegedeeld dat zij haar uitkering wilde opzeggen. Daarop heeft zij een intrekkingsformulier ingevuld en ondertekend. De handhavingsmedewerkers hebben de woning vervolgens verlaten. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 mei 2018.

1.3.

Bij besluit van 29 mei 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 november 2018 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 16 mei 2018 ingetrokken. Het college heeft aan het bestreden besluit, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende medewerkingsverplichting heeft geschonden, omdat zij niet heeft meegewerkt aan een huisbezoek. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand vanaf 16 mei 2018 niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 16 mei 2018, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 29 mei 2018, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

De beroepsgrond dat geen deugdelijke opzegging heeft plaatsgevonden, slaagt niet, omdat de opzegging van de bijstand door appellante niet aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. Voor zover appellante hiermee bedoelt te stellen dat een redelijke grond voor het huisbezoek ontbrak, geldt het volgende.

4.2.1.Van een redelijke grond voor een huisbezoek is, volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4064), sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bijstandverlenend orgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren.

4.2.2

Volgens de anonieme melding van 26 maart 2018 werd de woning onderverhuurd en woonde appellante niet meer op het uitkeringsadres. Die informatie werd bevestigd door informatie van woningbouwvereniging Rochdale. Die informatie hield in dat een bij Rochdale met naam bekende melder op 23 oktober 2017 melding heeft gemaakt van onderverhuur van de woning. De woning zou vanaf 20 augustus 2017 door appellante voor € 1.300 per maand zijn verhuurd aan een met name genoemde neef van de melder, waarbij appellante zich als eigenaar van de woning voordeed. Hiermee was er een redelijke grond voor het huisbezoek.

4.2.3.

Door (verdere) medewerking aan het huisbezoek te weigeren, heeft appellante gehandeld in strijd met de op grond van artikel 17, tweede lid, van de PW op haar rustende medewerkingsverplichting.

4.3.

De beroepsgrond dat het recht op bijstand niettemin kan worden vastgesteld, slaagt niet. Schending van de medewerkingsverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene recht heeft op bijstand. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan deze verplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Dat betekent in dit geval dat het aan appellante was om aannemelijk te maken dat zij in de te beoordelen periode wel op het uitkeringsadres woonachtig was en dat toen geen sprake was van onderverhuur van de woning. Appellante is hierin niet geslaagd. Appellante heeft de beroepsgrond dat het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld op geen enkele wijze onderbouwd.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2020.

(getekend) E.C.G. Okhuizen

(getekend) S.H.H. Slaats