Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1619

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
18/2642 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met het toekenningsbesluit heeft het college niet beoogd bijstand toe te kennen zodat sprake is van een kennelijke misslag. Appellant had bij de ontvangst van twee evident tegenstrijdige besluiten, een toekenning en een afwijzing, kunnen begrijpen dat er iets niet klopte. Geen opgewekte verwachtingen. College mocht toewijzingsbesluit intrekken. Bij twee besluitenop één aanvraag is geen aanleiding om aan toewijzing meer waarde te hechten. Appellant heeft financiële situatie voorafgaande aan bijstandsaanvraag niet inzichtelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/369
USZ 2020/239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 /2642 PW, 18/2643 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 28 juli 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

15 maart 2018, 16/7470 en 17/2217 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van Werkzaak Rivierenland (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2906, heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid en 8:108, eerste lid, van de Awb van 31 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3415 heeft de Raad het door appellant tegen de uitspraak van 25 september 2018 gedane verzet gegrond verklaard en het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord. Het dagelijks bestuur heeft niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. De Raad heeft daarna het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 12 juli 2016 gemeld om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) aan te vragen en heeft op 27 juli 2016 het aanvraagformulier ingediend. Hij heeft daarbij als gewenste ingangsdatum 1 juni 2016 vermeld. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat zijn uitkering van de GSD in december 2013 is stopgezet, hij geen inkomen meer heeft en hij heeft geleefd van de verkoop van zijn auto, de verkoop van sieraden, een erfenis van zijn vader en geld dat hij geleend heeft bij familie.

1.2.

Ter beoordeling van de aanvraag zijn heeft appellant op verzoek bankafschriften over 2016 verstrekt. Bij brief van 24 augustus 2016 heeft het dagelijks bestuur appellant verzocht om nadere informatie over de toekenning en hoogte van de erfenis van de familie van appellant, bankafschriften vanaf 1 januari 2014, bewijsstukken waaruit duidelijk wordt waarvan appellant heeft geleefd vanaf 1 januari 2014 en een verklaring van de herkomst van tien stortingen van bedragen variërend van € 150,- tot € 5.000,- in de periode van

29 oktober 2015 tot en met tot en met 22 april 2016. Appellant heeft daarop verklaard dat de erfenis ter hoogte van € 9.500,- cash is betaald omdat dit niet vast ligt en er sprake is van een erfenis op basis van vertrouwen en goodwill van de stiefbroers van appellant. Daarnaast heeft appellant verklaringen overgelegd van twee personen die hem geld hebben geleend. Appellant heeft verder verklaard dat hij van de woningbouwvereniging een bedrag van € 11.000,- verhuiskostenvergoeding heeft ontvangen, dat hij niet is verhuisd en het geld mocht houden. Verder heeft appellant verklaard in januari 2016 zijn auto te hebben verkocht en in juni 2016 met gokken € 400, - te hebben gewonnen en ook te hebben geleefd van de opbrengst van wat waardevolle spullen.

1.3.

Op 28 september 2016 heeft het dagelijks bestuur twee op 17 augustus 2016 onderscheidenlijk op 27 september 2016 gedateerde besluiten aan appellant verzonden. Bij het besluit van 17 augustus 2016 (toekenningsbesluit) heeft het dagelijks bestuur aan appellant bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend met ingang van

1 juni 2016. Bij het besluit van 27 september 2016 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag om bijstand van appellant afgewezen (afwijzingsbesluit). Nadien heeft het dagelijks bestuur geconstateerd dat het toekenningsbesluit per abuis is verzonden. Bij besluit van

21 november 2016 (intrekkingsbesluit) heeft het dagelijks bestuur het toekenningsbesluit ingetrokken.

1.4.

Bij besluit van 2 december 2016 (bestreden besluit 1), heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard. Bestreden besluit 1 berust op de grondslag dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Hierdoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld, zodat de aanvraag moet worden afgewezen. Bij besluit van 16 maart 2017 (bestreden besluit 2) heeft het dagelijks bestuur, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit eveneens ongegrond verklaard. Het dagelijks bestuur heeft hierbij opgemerkt dat het toekenningsbesluit en het afwijzingsbesluit inhoudelijk zo tegenstrijdig zijn dat daaruit geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat sprake is van een vergissing. Dit wordt bevestigd door het feit dat geen uitvoering is gegeven aan het toekenningsbesluit. Om de gebleken administratieve misslag te corrigeren heeft het dagelijks bestuur het toekenningsbesluit ingetrokken. Daarmee is bedoeld duidelijk te maken dat het toekenningsbesluit per abuis is verzonden en dus als het ware als niet verzonden moet worden beschouwd. Vanwege de onzorgvuldige handelwijze bestaat wel aanleiding om de kosten in verband met de behandeling van bezwaar te vergoeden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekkingsbesluit

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat hij er ten tijde van de ontvangst van het toekenningsbesluit op had mogen vertrouwen dat dit besluit juist was en dat van een kennelijke misslag geen sprake was. Appellant wijst erop dat de medewerker die destijds zijn aanvraag behandelde in een rapport van 17 augustus 2016 heeft aangetekend dat de aanvraag zou worden toegewezen. Mede gelet op de inhoud van dat rapport staat volgens appellant vast dat deze medewerker hem heeft laten weten dat zijn aanvraag zou worden toegewezen. Toen hij het door de betreffende medewerker zelf ondertekende toekenningsbesluit ontving, mocht appellant erop vertrouwen dat dit besluit de uitvoering vormde van de door deze medewerker gedane toezegging dat zijn aanvraag zou worden toegewezen. De omstandigheid dat appellant diezelfde dag tevens het door een andere medewerker ondertekende afwijzingsbesluit ontving, betekent niet dat hij daaruit zonder meer had moeten opmaken dat het afwijzingsbesluit het enige juiste besluit was en dat het toekenningsbesluit op een vergissing berustte.

4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur voldoende heeft onderbouwd dat sprake is geweest van een kennelijke misslag en dat niet beoogd was om bijstand toe te kennen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4172), komt aan een bestuursorgaan in beginsel de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen, mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en ook overigens geen sprake is van strijd met geschreven of ongeschreven recht. Daarbij is onder meer van belang of betrokkene redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat het oorspronkelijke besluit onjuist was en hij er dus rekening mee had moeten houden dat de gemaakte fout na ontdekking hersteld zou worden. In dit geval had appellant de gemaakte fout kunnen onderkennen. Hij had in elk geval bij de ontvangst van de twee evident tegenstrijdige besluiten kunnen begrijpen dat er iets niet klopte. Hij had om opheldering kunnen vragen bij het dagelijks bestuur. Het betoog van appellant dat op basis van het rapport van

17 augustus 2016 bij hem het vertrouwen was gewekt dat een toekenning zou volgen wordt niet gevolgd. Het gaat immers om een intern rapport, dat niet voorafgaand aan het versturen van het toekennings- en het afwijzingsbesluit op 28 september 2016 aan appellant is kenbaar gemaakt. Uit het rapport blijkt niet dat de betreffende medewerker appellant heeft meegedeeld dat zijn aanvraag zou worden toegewezen. Appellant heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat deze medewerker hem die mededeling heeft gedaan. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat de medewerker die de behandeling van de aanvraag heeft overgenomen op 24 augustus 2016 aan appellant een brief heeft gestuurd waarbij hem is gevraagd om nadere informatie te over leggen over zijn financiële situatie. Ook daaruit blijkt dat appellant ten tijde van de bekendmaking van het toekennings- en afwijzingsbesluit op 28 september 2016 er niet van uit mocht gaan dat op 17 augustus 2016 al was beslist om bijstand toe te kennen. Daarop wijst ook dat aan appellant op 29 augustus 2016 bijstand is uitbetaald bij wijze van voorschot.

Afwijzingsbesluit

4.3.

De te beoordelen periode loopt van 1 juni 2016, de door appellant gewenste ingangsdatum van de bijstand, tot en met 27 september 2016, de datum van het afwijzingsbesluit.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat de aanvraag van 27 juli 2016 met het toekenningsbesluit is afgedaan. Het daarna genomen afwijzingsbesluit is dan ook ambtshalve genomen. Dit is in strijd met artikel 43, eerste lid, van de PW waarin is bepaald dat een ambtshalve vaststelling van het recht op bijstand uitsluitend mogelijk is indien een schriftelijke aanvraag niet tot de mogelijkheden behoort. Die situatie deed zich niet voor omdat appellant op 27 juli 2016 daadwerkelijk een aanvraag heeft ingediend. Voorts heeft appellant aangevoerd dat, indien sprake is van twee besluiten op één aanvraag, het toekenningsbesluit prevaleert omdat het is gedagtekend op 17 augustus 2016 en het afwijzingsbesluit op een latere datum, namelijk 27 september 2016.

4.5.

Deze beroepsgronden slagen niet. Zowel in het toekenningsbesluit als in het afwijzingsbesluit is vermeld dat appellant zich op 12 juli 2016 heeft gemeld om bijstand aan te vragen en dat het gaat om een besluit op de aanvraag. Beide besluiten zijn op dezelfde dag bekendgemaakt en in werking getreden. Er zijn dus twee besluiten op één aanvraag genomen. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen reden om aan het toekenningsbesluit meer waarde te hechten omdat dit besluit een eerdere dagtekening heeft.

4.6.

Appellant heeft verder aangevoerd dat het afwijzingsbesluit in strijd met het vertrouwensbeginsel is genomen. Zoals in 4.1 is beschreven, heeft appellant gesteld dat een medewerker van het college hem heeft toegezegd dat zijn aanvraag zou worden toegewezen. Deze beroepsgrond slaagt niet omdat appellant zijn stelling niet aannemelijk heeft gemaakt. De Raad verwijst naar 4.2.

4.7.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij gedurende de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en dat daarom bijstand aan hem had moeten worden toegekend.

4.8.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet op grond van de volgende overwegingen

4.8.1.

Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van de aanvraag. In dit kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.8.2.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens te overleggen. In het kader van het onderzoek kan het bijstandverlenend orgaan van de betrokkene, indien daarvoor een concrete aanleiding is, gegevens vragen die betrekking hebben op de financiële situatie van een verder in het verleden liggende periode dan de laatste drie maanden.

4.8.3.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het dagelijks bestuur, reeds gezien de stortingen op de aanvankelijk door appellant overgelegde bankafschriften en het feit dat er langere tijd geen inkomensgegevens van hem bekend waren, gerechtigd was over een langere periode dan de gebruikelijke drie maanden gegevens van appellant op te vragen. Appellant heeft de benodigde duidelijkheid niet verschaft. Zo heeft hij verklaard dat hij een erfenis heeft ontvangen voor een bedrag van € 9.500,- op basis van een mondelinge afspraak. Appellant heeft de ontvangst van deze erfenis niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Ditzelfde geldt voor de leningen die appellant stelt te hebben afgesloten. Hij heeft weliswaar schriftelijke verklaringen overgelegd van personen die hem geld zouden hebben geleend, maar deze verklaringen zijn niet gedateerd en de betalingen zijn niet terug te vinden in de bankafschriften van appellant. Volgens appellant gaat het om contante bedragen, zodat deze niet verifieerbaar zijn. Ook de verhuiskostenvergoeding van € 11.000,- die appellant stelt van de woningbouwvereniging te hebben ontvangen is niet terug te vinden op de ingeleverde bankafschriften. Ook overige inkomsten waarvan appellant stelt te hebben geleefd, zoals opbrengsten van de verkoop van een auto en van waardevolle spullen en winst uit gokken, heeft hij niet nader gespecificeerd en onderbouwd. Appellant heeft derhalve geen duidelijk antwoord kunnen geven op de vraag van het dagelijks bestuur waarvan hij heeft geleefd en hoe hij aan de gelden is gekomen die hij in 2014, 2015 en in de periode van januari tot en met 22 april 2016 op zijn bankrekening heeft gestort.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van

R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

28 juli 2020.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) R.B.E. van Nimwegen