Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1429

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
10-07-2020
Zaaknummer
19/3163 AW-PV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 79, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), zoals dat luidde ten tijde hier van belang, bepaalt dat de ambtenaar aan wie ontslag is verleend op grond van artikel 98, eerste lid, onder f, van het ARAR in aanmerking kan komen voor een (proportionele) diensttijdgratificatie. Nu appellant op eigen verzoek op grond van artikel 94 van het ARAR ontslag is verleend komt hij niet in aanmerking voor een (proportionele) diensttijdgratificatie. Het beroep van appellant op de hardheidsclausule wordt verworpen, omdat in het ARAR juist is voorzien in de situatie dat de ambtenaar niet in aanmerking komt voor een (proportionele) diensttijdgratificatie in geval van een eervol ontslag op eigen verzoek. Van uitzonderlijke omstandigheden aan de kant van appellant is de Raad niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3163 AW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 juni 2019, 18/6566 AW

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister)

Datum uitspraak: 25 juni 2020

Zitting heeft: H. Lagas

Griffier: M. Buur

Appellant is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. G.W.N.M. van Laarhoven. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.V. Wieling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Bij besluit van 6 maart 2018, gehandhaafd bij besluit van 16 augustus 2018 (bestreden besluit), heeft de minister het verzoek van appellant tot uitbetaling van een (proportionele) diensttijdgratificatie geweigerd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep primair aangevoerd dat hij in aanmerking komt voor in ieder geval een proportionele diensttijdgratificatie. Subsidiair heeft appellant aangevoerd dat de minister hem op grond van de hardheidsclausule een proportionele gratificatie had moeten toekennen.

Artikel 79, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), zoals dat luidde ten tijde hier van belang, bepaalt dat de ambtenaar aan wie ontslag is verleend op grond van artikel 98, eerste lid, onder f, van het ARAR in aanmerking kan komen voor een (proportionele) diensttijdgratificatie. Nu appellant op eigen verzoek op grond van artikel 94 van het ARAR ontslag is verleend komt hij niet in aanmerking voor een (proportionele) diensttijdgratificatie.

Het beroep van appellant op de hardheidsclausule wordt verworpen, omdat in het ARAR juist is voorzien in de situatie dat de ambtenaar niet in aanmerking komt voor een (proportionele) diensttijdgratificatie in geval van een eervol ontslag op eigen verzoek. Van uitzonderlijke omstandigheden aan de kant van appellant is de Raad niet gebleken. Aldus kan niet worden gezegd, dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) M. Buur (getekend) H. Lagas