Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1347

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
17/6385 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Niet gemelde bankrekeningen. Redelijkerwijs over kunnen beschikken. Stortingen van derden zijn inkomsten. Vermogen boven de grens. Boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/6385 PW en 18/4831 PW

Datum uitspraak: 30 juni 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 22 augustus 2017, 17/1462 (aangevallen uitspraak 1) en 27 augustus 2018, 18/315 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Haren (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroepschriften ingediend.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2020. Voor appellante zijn verschenen mr. F. Bakker en F.H.A. Dagelet. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 2 juli 2014 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW).

1.2.

Na een signaal van de Belastingdienst dat appellante twee bankrekeningen (nummers eindigend op [nummer 1] en [nummer 2] ) op haar naam had staan, die niet bekend waren bij het college, is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan haar verleende bijstand. Appellante heeft bankafschriften overgelegd en is, samen met haar ex-partner [A] (hierna: A), op 5 en 26 september 2016 gehoord. De bevindingen van het onderzoek staan in het Rapport Afdeling Handhaving van 19 oktober 2016.

1.3.

Bij besluit van 14 november 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 maart 2017 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellante herzien van 1 februari 2015 tot en met 23 oktober 2015 (periode 1), ingetrokken van 24 oktober 2015 tot en met 8 juli 2016 (periode 2) en teruggevorderd tot een bedrag van € 13.141,52. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door de twee bankrekeningen niet te melden. De stortingen op rekening [nummer 2] en op de bij het college wel bekende bankrekening eindigend op [nummer 3] in periode 1, zijn inkomsten die op de bijstand in mindering moeten worden gebracht. Het op rekening [nummer 1] staande vermogen was in periode 2 hoger dan het vrij te laten vermogen, zodat toen geen recht op bijstand bestond.

1.4.

Bij besluit van 7 augustus 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 januari 2018 (bestreden besluit 2), heeft het college appellante een boete opgelegd van € 1.184,- wegens schending van de inlichtingenverplichting.

2. Bij de aangevallen uitspraken 1 en 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Net als in bezwaar en beroep heeft zij aangevoerd dat zij op initiatief van A, die had gehoord dat hij ongeneeslijk ziek was, op haar naam een privérekening ( [nummer 2] ) en een vermogensspaarrekening ( [nummer 1] ) heeft geopend. Het was de bedoeling dat appellante zo over het vermogen van A zou kunnen beschikken nadat hij zou zijn overleden. Tijdens het leven van A kon appellante formeel wel, maar redelijkerwijs niet over het vermogen van A beschikken. De stortingen op de rekeningen [nummer 2] en [nummer 3] zijn volgens appellante afkomstig van vrienden en bekenden in Nederland en waren bedoeld voor familie, vrienden en kennissen van haar in Bosnië. Om de kosten van overboeken te besparen heeft zij het geld contant opgenomen en zelf naar Bosnië gebracht of meegegeven aan anderen die naar Bosnië gingen. Omdat het geld op de rekeningen niet voor appellante was en de bank A er niet op heeft gewezen dat de constructie die hij had bedacht niet kon worden uitgevoerd zoals hij dat zich voorstelde, heeft zij wel aan haar inlichtingenverplichting voldaan dan wel ontbreekt bij haar elke verwijtbaarheid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet is in geschil dat de rekeningen [nummer 1] en [nummer 2] op naam van appellante staan en dat zij deze rekeningen en de stortingen op deze rekeningen en op de wel bij het college bekende rekening [nummer 3] niet heeft gemeld bij het college. Deze gegevens zijn onmiskenbaar van belang voor de verlening van bijstand. Het had appellante dan ook redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij daarvan melding had moeten maken bij het college. Door dit niet te doen heeft appellante gehandeld in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting.

4.2.

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, brengt - behoudens tegenbewijs - mee dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van de middelen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

4.3.

Zoals A in zijn brief aan de bezwaarschriftencommissie zelf heeft geschreven, heeft de vestigingsdirecteur van de bank verklaard dat appellante kon beschikken over de tegoeden van de beide op haar naam staande bankrekeningen. Dat A dacht dat appellante niet kon beschikken over het geld op de vermogensspaarrekening, omdat een bankmedewerker hem daar verkeerd over zou hebben geïnformeerd, maakt dit niet anders. Appellante heeft ook daadwerkelijk van de aan de vermogensspaarrekening [nummer 1] gekoppelde privérekening [nummer 2] geld opgenomen. Met wat appellante heeft aangevoerd, is zij er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij redelijkerwijs niet over de tegoeden op de rekeningen [nummer 1] en [nummer 2] heeft kunnen beschikken.

Herziening periode 1

4.4.

Op de bankrekeningen [nummer 3] en [nummer 2] zijn in periode 1 regelmatig stortingen gedaan.

4.5.

Stortingen van derden op een bankrekening van een bijstandontvanger zijn in beginsel in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, zijn dit inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450).

4.6.

Appellante heeft niet met objectieve, controleerbare gegevens onderbouwd dat de stortingen zijn gedaan ten behoeve van mensen in Bosnië. Veelal staat er geen omschrijving bij een storting, soms staat wel een doel genoemd, maar er is geen duidelijk verband met geld dat is opgenomen. Dat het opgenomen geld contant aan mensen in Bosnië is gegeven is niet te controleren. Appellante heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zij de stortingen niet feitelijk kon gebruiken om in de noodzakelijke kosten van haar eigen bestaan te voorzien.

4.7.

Dit betekent dat de stortingen als inkomsten van de bijstand moeten worden afgetrokken, zodat dat de bijstand over periode 1 terecht is herzien.

Intrekking periode 2

4.8.

Op bankrekening [nummer 1] stond in periode 2 een bedrag dat hoger was dan het vrij te laten vermogen. Omdat appellante redelijkerwijs over dat vermogen kon beschikken, had zij in die periode geen recht op bijstand.

4.9.

Dit betekent dat het recht op bijstand in periode 2 terecht is ingetrokken.

Terugvordering

4.10.

Tegen de hoogte van de gedeeltelijk gebruteerde terugvordering zijn geen gronden aangevoerd.

Boete

4.11.

Op grond van artikel 18a van de PW legt het college een bestuurlijke boete op indien een belanghebbende de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete staan in de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12. Deze uitspraak geldt ook voor artikel 18a van de PW en de artikelen 2 en 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals deze sinds 1 januari 2017 luiden.

4.12.

Het college is bij de hoogte van de boete uitgegaan van normale verwijtbaarheid en heeft rekening gehouden met de draagkracht van appellante.

4.13.

Uit 4.1 volgt dat het college ook heeft aangetoond dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de twee bankrekeningen en de stortingen. Dat het op haar naam zetten van de bankrekeningen het idee was van A, maakt dat niet anders en ook niet verminderd verwijtbaar. Als degene die bijstand ontvangt was appellante immers zelf verantwoordelijk.

4.14.

Het college was verplicht een boete op te leggen. De opgelegde boete van € 1.184,- is evenredig.

Conclusie

4.15.

De hoger beroepen slagen niet en de aangevallen uitspraken 1 en 2 moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van A.H.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2020.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) A.H.H. Ibrahim