Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1346

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
18/250 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herzien en terugvordering bijstand. Appellante heeft niet gemeld dat zij Pools pensioen ontving. College wist dat appellante bezig was Pools pensioen te laten uitkeren. Appellante had toekennen en uitbetalen pensioen moeten melden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2020/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 250 PW

Datum uitspraak: 30 juni 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

6 december 2017, 17/1916 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Dongeradeel (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld, nadere stukken ingediend en een verzoek gedaan om veroordeling tot vergoeding van schade.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand van 18 oktober 2000 tot 17 mei 2015, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 8 mei 2015 heeft het college de bijstand met ingang van 17 mei 2015 beëindigd, omdat appellante per die datum recht heeft op een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet.

1.2.

Bij brief van 6 juli 2015 heeft de Sociale Verzekeringsbank bij het college gemeld dat appellante sinds 1 februari 2012 een Pools pensioen ontvangt op haar Poolse bankrekening. Naar aanleiding daarvan heeft het college appellante gevraagd verschillende stukken over te leggen. Op 14 september 2015 heeft appellante stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij sinds 1 februari 2012 een Pools pensioen ontvangt.

1.3.

Bij besluit van 24 februari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 januari 2017 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 1 februari 2012 tot en met 16 mei 2015 herzien en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 22.129,85 van appellante teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het ontvangen van een Pools pensioen. Het college heeft het Poolse pensioen van appellante als inkomen in aanmerking genomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 februari 2012 tot en met 16 mei 2015.

4.2.

Niet in geschil is dat appellante in de te beoordelen periode maandelijks een Pools pensioen heeft ontvangen. De inkomsten uit dit pensioen zijn aan te merken als feiten en omstandigheden die appellante moet melden op grond van de inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de PW. Het gaat hier namelijk om middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW die van invloed zijn op de hoogte van de bijstand.

4.3.1.

Appellante heeft aangevoerd dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij het Poolse pensioen tijdig bij het college heeft gemeld. Zo heeft zij een e-mail met bijlagen gestuurd en heeft het college zelf bijzondere bijstand verleend voor het laten vertalen van een document dat nodig was om het Poolse pensioen aan te vragen.

4.3.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de stukken blijkt niet dat appellante bij het college heeft gemeld dat aan haar het Poolse pensioen was toegekend of dat zij het ontving. Uit de stukken blijkt alleen dat appellante en het college regelmatig contact hebben gehad over het mogelijk bestaan van een aanspraak op een Pools pensioen. Appellante heeft het college meerdere malen verzocht om een door de Poolse uitvoeringsorganisatie Zakład Ubezpieczeń Społecznych uitgegeven formulier in te vullen. Ook heeft het college bijzondere bijstand toegekend voor reiskosten naar Den Haag, waar appellante het formulier kon laten vertalen. Dat het college ervan op de hoogte was dat appellante bezig was een Pools pensioen te laten uitkeren, ontsloeg haar niet van de verplichting om expliciet melding te maken van de toekenning en uitbetaling van het Poolse pensioen.

4.4.

Appellante heeft dus de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van inkomsten uit het Poolse pensioen, waardoor zij in de te beoordelen periode tot een te hoog bedrag bijstand heeft ontvangen. Daarom was het college in beginsel verplicht om de bijstand van appellante over die periode te herzien en de te veel gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen.

4.5.

Het hoger beroep slaagt daarom niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet daarom ook worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2020.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) A.A.H. Ibrahim