Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1345

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
18/999 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiten behandeling gelaten aanvraag. Ontvangstbevestiging ontvangen bij ingeleverde stukken. Weerlegging bewijsvermoeden door college.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/302
USZ 2020/219
NJB 2020/1916
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 999 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 30 juni 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 januari 2018, 18/147 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten hebben op 7 september 2017 een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet ingediend.

1.2.

Bij brief van 6 oktober 2017 heeft het college appellanten verzocht uiterlijk op 20 oktober 2017 nader genoemde stukken over te leggen. Op 3 oktober 2017, 11 oktober 2017, 17 oktober 2017 en 24 oktober 2017 hebben appellanten stukken overgelegd. Ter bevestiging hiervan hebben zij afgiftebewijzen gekregen.

1.3.

Bij brief van 24 oktober 2017 heeft het college appellanten laten weten dat zij de gegevens niet volledig hebben ingeleverd. Het college heeft appellanten in die brief verzocht om uiterlijk op 7 november 2017 de in de bijlage bij die brief genoemde gegevens over te leggen. Het college heeft hierbij meegedeeld dat het niet of niet volledig verstrekken van de gevraagde gegevens binnen de gestelde termijn tot gevolg kan hebben dat de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling wordt gelaten.

1.4.

Bij besluit van 8 november 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 januari 2018 (bestreden besluit) heeft het college de aanvraag van appellanten met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb niet in behandeling genomen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten niet alle gevraagde gegevens tijdig hebben overgelegd en dat de ontbrekende gegevens nodig zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Er ontbreken onder meer rekeningafschriften van verschillende rekeningen over verschillende periodes, betaalbewijzen van huur en ziektekosten, stukken inzake de opheffing van de onderneming van appellanten, en verschillende loonstroken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en stukken onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of stukken worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.1.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij alle gevraagde stukken tijdig hebben overgelegd. Vaststaat dat appellanten op 3, 11, 17 en 24 oktober 2017 stukken hebben ingeleverd en dat zij daarvoor een ontvangstbevestiging hebben gekregen. Ze hebben tevens aangevoerd dat het college niet heeft vermeld welke stukken zij hebben ontvangen. De rechtbank heeft met verwijzing naar de uitspraak van 6 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3408, geoordeeld dat appellanten zichzelf in de situatie hebben gebracht dat zij achteraf niet kunnen aantonen welke stukken zij hebben ingeleverd, doordat zij geen overzicht van de door hen ingeleverde stukken hebben opgemaakt, en dat dit voor hun rekening dient te komen. De Raad is inmiddels van de door de rechtbank genoemde rechtspraak teruggekomen. In de uitspraak van 6 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:639 heeft de Raad geoordeeld dat als de betrokkene in reactie op een verzoek om nader vermelde gegevens te verstrekken stukken inlevert bij de balie van het gemeentehuis en vervolgens een afgiftebewijs of ontvangstbevestiging ontvangt zonder dat direct wordt gecontroleerd welke stukken precies zijn ingeleverd, aan het afgiftebewijs of de ontvangstbevestiging in beginsel het vermoeden kan worden ontleend dat alle opgevraagde gegevens volledig zijn verstrekt.

4.2.2.

In hoger beroep heeft het college in het geval van appellanten echter het (bewijs)vermoeden voldoende weerlegd. Het feit dat in dit geval achtereenvolgens vier ontvangstbevestigingen zijn afgegeven, betekent dat appellanten telkens slechts een gedeelte van de opgevraagde informatie hebben overgelegd. In dat licht bezien wordt ook betekenis toegekend aan de brief van het college van 24 oktober 2017 waarbij zij aan appellanten hebben laten weten welke stukken nog ontbraken. Bovendien hebben appellanten tijdens de procedure meerdere malen te kennen gegeven dat zij over bepaalde opgevraagde stukken niet konden beschikken, bijvoorbeeld over een deugdelijke administratie en boekhouding van het failliete zelfstandige bedrijf. De grond slaagt dus niet.

4.3.

Appellanten hebben verder aangevoerd dat met de in hoger beroep overgelegde stukken voldoende informatie voor handen is om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Ook deze grond slaagt niet. Aard en inhoud van het besluit dat strekt tot het buiten behandeling laten van de aanvraag om bijstand, brengen mee dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het nemen van dat besluit alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien de betrokkene aannemelijk maakt dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest om de gevraagde gegevens of bescheiden binnen de gegeven hersteltermijn te verstrekken. Appellanten zijn daarin niet geslaagd.

4.4.

Gelet op wat hiervoor onder 4.2.1 tot en met 4.3 is overwogen, was het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd de aanvraag van appellanten buiten behandeling te laten. Wat appellanten hebben aangevoerd geeft geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

4.5.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2020.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) M. Buur