Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1343

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
19/4062 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:6398, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag bijzondere bijstand vanwege draagkracht. Buiten behandeling gestelde aanvraag om bijzondere bijstand in verband met niet overgelegde bankafschriften. Herhaling van gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4062 PW

Datum uitspraak: 30 juni 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
12 augustus 2019, 19/1768 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. K.M. van der Boor, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten hebben op 24 juni 2018 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor de kosten van griffierecht en eigen bijdrage rechtsbijstand. Bij besluit van 18 juli 2018 (besluit 1) heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellanten beschikken over voldoende draagkracht. Het college heeft over de periode van 1 juni 2018 tot 1 juni 2019 de draagkracht van appellanten vastgesteld op € 3.372,18.

1.2.

Appellanten hebben op 29 juli 2018 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht en op 3 augustus 2018 voor de kosten eigen bijdrage rechtsbijstand. Bij besluiten van respectievelijk 23 augustus 2018 (besluit 2) en 13 september 2018 (besluit 3) heeft het college deze aanvragen buiten behandeling gesteld.

1.3.

Bij besluit van 27 februari 2019 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard. Aan de handhaving van besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant eerder een WW-uitkering ontving, dat hij ten tijde van de aanvraag van 24 juni 2018 inkomsten uit arbeid ontving, dat die wisselend zijn en dat daarom het gemiddelde inkomen over de maanden april, mei en juni 2018 zijn meegenomen bij de vaststelling van de draagkracht. Aan de handhaving van besluiten 2 en 3 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de gevraagde bankgegevens niet hebben overgelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, het volgende overwogen, waarbij voor eisers appellanten en voor verweerder het college moet worden gelezen:

“Eisers stellen verder dat verweerder de aanvragen van 29 juli 2018 en 3 augustus 2018 niet buiten behandeling mocht stellen, nu zij wel degelijk een kopie van een geldig legitimatiebewijs hebben ingeleverd. De rechtbank overweegt dat verweerder volgens de motivering van het bestreden besluit niet het ontbreken van een geldig legitimatiebewijs aan de buiten behandelingstellingen ten grondslag heeft gelegd. Daarom slaagt deze beroepsgrond evenmin.

(…)

Op grond van artikel 6.4, eerste en tweede lid, van de Beleidsregels wordt de draagkracht vastgesteld voor de periode van een jaar en start het draagkrachtjaar op de eerste dag van de maand waarin voor het eerst bijzondere bijstand wordt aangevraagd. Voor aanvragen die gedaan worden binnen het lopende draagkrachtjaar geldt op grond van het derde lid van dit artikel de aan het begin van dat jaar vastgestelde draagkracht. Een nieuw draagkrachtjaar start op grond van het vierde lid van dit artikel op de eerste dag van de maand waarin voor het eerst bijzondere bijstand wordt aangevraagd terwijl er geen lopend draagkrachtjaar meer is. Een vastgestelde draagkracht kan op grond van het vijfde lid van dit artikel alleen worden gewijzigd, wanneer de persoonlijke of financiële omstandigheden van de belanghebbende ingrijpend gewijzigd zijn.

De stelling van eisers dat verweerder de aanvragen had moeten toewijzen omdat de draagkracht van eisers in de periode van 5 oktober 2017 tot en met 5 oktober 2018 zou zijn vastgesteld op lager dan 110% van de bijstandsnorm, is onvoldoende onderbouwd en slaagt daarom al niet. Voor zover hiervan sprake zou zijn, dan betekent dit gelet op artikel 6.4, vijfde lid, van de Beleidsregels niet automatisch dat de nieuwe aanvraag dient te worden ingewilligd in verband met eventuele ingrijpend gewijzigde persoonlijke of financiële omstandigheden van de belanghebbende.”

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten hebben, evenals in beroep, tegen de buitenbehandelingstelling van hun aanvragen van 29 juli 2018 en 3 augustus 2018 aangevoerd dat zij op 27 augustus 2017 en in juli 2018 geldige legitimatiebewijzen hebben overgelegd en dat het college zijn beslissing ten onrechte baseert op het feit dat appellanten geen identiteitsbewijzen hebben aangeleverd. Tegen de afwijzing van hun aanvraag van 24 juni 2018 hebben appellanten, evenals in beroep, aangevoerd dat hun draagkracht over de periode 5 oktober 2017 tot en met 5 oktober 2018 is vastgesteld op lager dan 110% van de bijstandsnorm.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, zijn een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellanten hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel berust.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2020.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) F. Demiroğlu