Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1342

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
18/5316 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Niet melden ontvangen geldbedragen. Schending inlichtingenplicht. Dat college in algemene zin op de hoogte was van door appellant verrichte, op geld waardeerbare, werkzaamheden, ontslaat appellant niet hiervan zelf maandelijks concreet melding te maken. Bij verplichte terugvordering geen plaats voor belangenafweging of toepassen zesmaandenjurisprudentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2020/170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5316 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 30 juni 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 augustus 2018, 17/6114 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Druten (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. K.T. Ghaffari, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving met ingang van 12 april 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Met ingang van 1 juni 2014 ontvingen appellanten gezamenlijk bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor gehuwden. Het college heeft bij besluit van 6 augustus 2014 de bijstand van appellant over de periode van 1 december 2013 tot en met 31 mei 2014 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd, omdat appellant niet had gemeld dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met appellante.

1.2.

Naar aanleiding van bijschrijvingen op de bankrekening van appellant door het bedrijf [BV] ( [BV] ) en een melding dat appellant bij het bedrijf van zijn vader zou werken, heeft een toezichthouder bij de Regio Rivierenland (toezichthouder) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de toezichthouder onder meer dossieronderzoek gedaan, observaties uitgevoerd, diverse instanties gevorderd gegevens te verstrekken, appellanten verhoord en diverse getuigen gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 november 2016.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 12 december 2016 (besluit 1) de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2013 in te trekken en de over de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 november 2013 (periode 1) gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 12.027,64 van appellant terug te vorderen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het feit dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht voor [BV] , het bedrijf van zijn vader. Als gevolg daarvan heeft hij ten onrechte bijstand ontvangen. Het college heeft bij besluit van eveneens 12 december 2016 (besluit 2) de bijstand van appellanten met ingang van 1 juni 2014 ingetrokken en de over de periode van 1 juni 2014 tot en met 30 november 2016 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 16.662,47 van appellanten teruggevorderd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet te melden dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Als gevolg daarvan hebben appellanten ten onrechte bijstand ontvangen.

1.4.

Bij besluit van 26 september 2016 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 gegrond verklaard. Het college heeft de bijstand van appellant over de periode van 22 januari 2013 tot 1 december 2013 en de bijstand van appellanten over de periode van 1 juni 2014 tot 9 maart 2016 herzien door de inkomsten op de bijstand in mindering te brengen en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 27.973,03 teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen perioden lopen van 22 januari 2013 tot 1 december 2013 (periode 1) en van 1 juni 2014 tot 9 maart 2016 (periode 2).

4.2.

Vaststaat dat in periode 1 en 2 een groot aantal bijschrijvingen heeft plaatsgevonden op de bankrekening van appellant, afkomstig van [BV] .

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden (kas)stortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. Dat de bijschrijvingen als inkomsten in aanmerking zijn te nemen, is niet langer in geschil.

4.4.

Over periode 1 is niet in geschil dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door de ontvangst van de geldbedragen niet te melden en dat hij als gevolg daarvan teveel bijstand heeft ontvangen. Het geschil heeft betrekking op periode 2.

4.5.

Met betrekking tot periode 2 hebben appellanten zich op het standpunt gesteld dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden. Het had hen niet redelijkerwijs duidelijk kunnen of moeten zijn dat informatie over de ontvangen geldbedragen van belang was voor het recht op bijstand, omdat het college, ondanks dat hij ten tijde van de bijstandsaanvraag van appellanten bekend is geraakt met de rol van appellant bij [BV] en de in 2013 ontvangen geldbedragen van [BV] , geen onderzoek heeft verricht hiernaar en met ingang van 1 juni 2014 volledige bijstand heeft toegekend aan appellanten.

4.6.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellanten hebben, in verband met de bekendheid van het college met de bijschrijvingen in 2013, bij hun aanvraag om bijstand in 2014 melding gemaakt van de rol van appellant bij [BV] . Die rol van appellant bij [BV] is in algemene zin beschreven in een e-mailbericht van de vader van appellant van 16 juli 2014. Dit bericht ontslaat appellanten echter niet van de plicht om uit eigen beweging maandelijks de uit die werkzaamheden genoten inkomsten te melden. Die inkomsten zijn immers van belang voor de hoogte van het recht op bijstand. Dit had appellanten redelijkerwijs duidelijk moeten zijn. Niet in geschil is dat appellanten in periode 2 geen melding hebben gemaakt van de bijschrijvingen door [BV] op de bankrekening van appellant. Dit betekent dat appellanten over periode 2 de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.

4.7.

Het college was op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW gehouden de bijstand te herzien, rekening houdende met de door appellanten ontvangen inkomsten.

4.8.

Ten aanzien van de terugvordering hebben appellanten aangevoerd dat de hoogte van de terugvordering niet in verhouding staat tot het te dienen doel. Het is een aanzienlijk bedrag waar appellanten jarenlang aan vast zullen zitten. Dit had voorkomen kunnen worden als het college tijdig een onderzoek was gestart naar bijschrijvingen op de bankrekening van appellant. De Raad vat deze grond op als een beroep op de zesmaandenjurisprudentie. De zesmaandenjurisprudentie houdt - kort gezegd - in dat een bestuursorgaan de bevoegdheid tot terugvordering niet mag uitoefenen voor zover de terugvordering betrekking heeft op bedragen die zijn betaald meer dan zes maanden na de ontvangst van een voldoende concreet signaal waaruit het bestuursorgaan had moeten afleiden dat ten onrechte of te veel wordt uitbetaald.

4.9.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Gelet op 4.7 was het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW verplicht de kosten van bijstand terug te vorderen. Omdat het hier gaat om een verplichte terugvordering, is het niet mogelijk op dit punt een belangenafweging te maken en is ook de zesmaandenjurisprudentie niet van toepassing. Zie in die zin bijvoorbeeld de uitspraak van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952.

4.10.

Uit 4.2 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2020.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) L. Hagendijk