Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1340

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
19/4593 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:7718, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herzien bijstand naar de kostendelersnorm omdat de meerderjarige dochter van appellante bij haar inwoont. Geen ruimte om van toepassen KDN af te wijken. Geen aanleiding voor afstemming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2020/172
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4593 PW

Datum uitspraak: 30 juni 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
4 oktober 2019, 19/698 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.W.F. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 6 juli 2009 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Met ingang van 26 september 2017 heeft haar dochter, die [in] 2017 21 jaren is geworden, haar hoofdverblijf in de woning van appellante.

1.2.

Bij twee besluiten van 3 januari 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 januari 2019 (bestreden besluit), heeft het college, voor zover hier van belang, met ingang van 26 september 2017 de bijstand van appellante verlaagd met toepassing van de kostendelersnorm, de bijstand herzien over de periode van 26 september 2017 tot en met 30 september 2018 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.390,61 van appellante teruggevorderd. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat met ingang van 26 september 2017 de kostendelersnorm van toepassing is op appellante en dat zij over de periode van 26 september 2017 tot en met 30 september 2018 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder heeft ontvangen, terwijl zij recht had op de kostendelersnorm op basis van 50% van het minimumloon. Volgens het college bestaan geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 22a, eerste lid, van de PW, is op de belanghebbende van 21 jaar of ouder de kostendelersnorm van toepassing indien de belanghebbende één of meer kostendelende medebewoners heeft.

4.2.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, van de PW wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft en niet is te rekenen tot een van de uitzonderingscategorieën, zoals vermeld in de onderdelen a tot en met d van dit artikel.

4.3.

Niet in geschil is dat appellante ten tijde hier van belang in dezelfde woning haar hoofdverblijf had als haar dochter.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat op grond van bijzondere omstandigheden toepassing van de kostendelersnorm achterwege had moeten blijven. Volgens appellante werd haar inwonende dochter destijds geconfronteerd met een belastende familierechtprocedure en had zij de steun van appellante nodig. Tevens heeft appellante gesteld dat haar dochter vanwege stress en angst zelf geen bijstand wilde aanvragen, hoewel zij daar wel recht op had. Appellante betoogt dat het college de bijstand had kunnen afstemmen door haar bijstand ongewijzigd voort te zetten naar de norm voor een alleenstaande. Dit betoog slaagt niet.

4.5.

Zoals de Raad bij herhaling heeft overwogen (onder meer uitspraak van 28 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:178) zijn de artikelen 22a en 19a van de PW dwingendrechtelijk van aard. Die bepalingen bieden – behoudens de in artikel 19a vermelde situaties, die hier niet van toepassing zijn – geen ruimte voor afwijking dan wel buiten toepassing laten van de kostendelersnorm. De PW biedt dan ook geen grondslag voor gehele of gedeeltelijke afwijking van de kostendelersnorm op de grond dat toepassing ervan leidt tot een onredelijke uitkomst of een onbillijkheid van overwegende aard. Bovendien heeft de wetgever bij de invoering van de kostendelersnorm nadrukkelijk overwogen dat de voordelen van het kunnen delen van de kosten met medebewoners los staan van de redenen waarom men de woning deelt (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16).

4.6.

Voor zover appellante heeft aangevoerd dat het college – in weerwil van de artikelen 22a en 19a van de PW – de bijstand had moeten afstemmen met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW, is van belang dat volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492) voor afstemming in die zin slechts plaats is in zeer bijzondere situaties. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de omstandigheid dat de dochter van appellante door persoonlijke omstandigheden geen bijstand heeft willen aanvragen, terwijl zij daar naar eigen zeggen wel recht op had, geen zeer bijzondere situatie oplevert.

4.7.

Appellante heeft ten slotte aangevoerd dat het college op grond van dringende redenen van terugvordering had moeten afzien. Deze beroepsgrond faalt. Dringende redenen kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat appellante niet met bewijsstukken aannemelijk heeft gemaakt dat de terugvordering in haar geval tot onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen leidt. Ook in hoger beroep heeft appellante dat bewijs niet geleverd.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2020.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) R.B.E. van Nimwegen