Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1336

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
18/2325 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter uitvoering van uitspraak van de Raad opnieuw genomen besluit op bezwaar. Bijstand herzien naar norm gehuwden met in aanmerking nemen van kasstortingen als inkomen. Geen schending zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel. Aan de redelijkheid van verleende norm wordt niet toegekomen. Schadevergoeding in verband met onrechtmatige besluiten. Schade door woningontruiming vloeit niet voort uit onrechtmatige besluiten. Onrechtmatige besluiten ontoereikend voor conclusie dat appellant door aantasting van zijn persoon recht heeft op immateriële schadevergoeding. Schadevergoeding in verband met overschrijding redelijke termijn toe te rekenen aan bestuursorgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2020/174
USZ 2020/217
PS-Updates.nl 2020-0727
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2325 PW, 20/351 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch van 19 maart 2018 en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.

Partijen:

[appellant] te Dominicaanse Republiek (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)

Datum uitspraak: 23 juni 2020

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 14 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4277, heeft de Raad – voor zover hier van belang – de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 23 januari 2017, 16/1922 en 16/2142, vernietigd, het beroep gegrond verklaard tegen de bestreden besluiten van 12 mei 2016 en deze besluiten (deels) vernietigd en het college opgedragen nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met in achtneming van zijn uitspraak. Daarbij heeft de Raad met toepassing van artikel 8:113, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit(en) slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 19 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het college opnieuw op de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 4 december 2015 en 23 december 2015 beslist.

Namens appellant heeft mr. J.W.F. Noot, advocaat, beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek om schadevergoeding ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben over en weer een nadere reactie gegeven en stukken ingediend.

Op 2 december 2019 heeft het college een nader besluit genomen.

Op 6 februari 2020 heeft mr. Noot desgevraagd een reactie gegeven naar aanleiding van het nader besluit.

Appellant heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Het college heeft niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 14 november 2017. Hij volstaat nu met het volgende.

1.2.

Het college heeft ter uitvoering van de uitspraak bij het bestreden besluit de intrekking van de bijstand van appellant met ingang van 11 februari 2015 niet gehandhaafd. Daarbij heeft het college de bijstand over de periode van 11 februari 2015 tot 1 januari 2016 herzien naar de norm voor een alleenstaande en vanaf 1 januari 2016, onder toepassing van artikel 24 van de Participatiewet (PW), naar 50% van de norm voor gehuwden. Bij dat besluit heeft het college ook de op de bankrekening van appellant gedane contante stortingen en de bijschrijvingen van [beveiligingsbedrijf] aangemerkt als inkomen en op de bijstand in mindering gebracht. Het college heeft voorts de over de periode van 16 februari 2017 tot en met 18 mei 2017 verleende bijstand omgezet van een geldlening naar om niet. Het college heeft de bijstand met ingang van 18 mei 2017 ingetrokken op de grond dat appellant op die datum de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Het college heeft de nabetaling aan appellant verrekend met nog openstaande vorderingen.

1.3.

Bij besluit van 13 april 2018 heeft het college wettelijke rente toegekend tot een bedrag van € 618,28. Hiertegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4.

Bij besluit van 2 december 2019 (nader besluit) heeft het college het bestreden besluit gewijzigd en de bijstand van appellant, met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW, over de periode van 1 januari 2016 tot en met 15 februari 2017 verhoogd met 20% van de gehuwdennorm en een bedrag van € 3.773,77 nabetaald. Tevens heeft het college een bedrag van € 261,80 aan wettelijke rente vergoed.

2. Appellant heeft zich in beroep op de hierna te bespreken gronden tegen het bestreden besluit en het nader besluit gekeerd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Het nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.

Bestreden besluit

3.2.

Het college heeft met het nader besluit de bij het bestreden besluit vanaf 1 januari 2016 aan appellant toegekende bijstand van 50% van de gehuwdennorm gewijzigd en, onder toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW, deze norm verhoogd met 20%. Gelet hierop zal de Raad het beroep reeds gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 18, eerste lid, van de PW.

Nader besluit

3.3.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het college in strijd met het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel alsnog de contante stortingen op zijn bankrekening op de bijstand in mindering heeft gebracht terwijl het college deze bedragen bij de onrechtmatige besluiten van 4 december 2015 en 23 december 2015 (onrechtmatige besluiten) niet heeft teruggevorderd.

3.4.

Deze grond slaagt niet. Het college heeft voorafgaand aan het besluit van 4 december 2015 bij vaststelling en betaling van de bijstand vanaf 11 februari 2015 geen inkomsten op de bijstand in mindering gebracht. Dit komt voort uit het feit dat appellant destijds geen melding heeft gemaakt van kasstortingen op zijn bankrekening. Bij besluit van 4 december 2015 heeft het college de bijstand van appellant vanaf 11 februari 2015 volledig ingetrokken zodat het college daarbij niet toe kon komen aan een herziening van de bijstand over die periode met de op de bankrekening van appellant bijgeschreven kasstortingen als in aanmerking te nemen inkomsten. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 14 november 2017 heeft het college de intrekking van de bijstand vanaf 11 februari 2015 niet langer gehandhaafd. Daarbij stond het het college vrij om, met in achtneming van deze uitspraak en zonder daarmee in strijd te komen, de kasstortingen in de maanden maart, juli, augustus, september, oktober, november en december 2015 als inkomen op de bijstand in mindering te brengen en de tot dat bedrag gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. Dit geldt wat het in aanmerking nemen eveneens voor de na 4 december 2015 gedane kasstortingen. Niet gebleken is dat het college appellant op enig moment heeft meegedeeld dat het niet zou overgaan tot het in mindering brengen van deze kasstortingen. Daarom is dit in aanmerking nemen van deze kasstortingen niet in strijd met het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel.

3.5.

Appellant heeft verder aangevoerd dat het college in de periode dat hij in de noodopvang verbleef en bijstand als geldlening ontving in strijd met de redelijkheid de bijstand met 15% heeft gekort. Het had het college, na alle ellende vanwege de onrechtmatige besluiten, gesierd iets ruimhartiger te zijn.

3.6.

In het midden kan blijven of deze grond – gelet op nog beperkte omvang van het geding –in deze procedure aan de orde kan worden gesteld omdat deze grond in ieder geval faalt. Bijstand is bedoeld voor de kosten van levensonderhoud naar de toepasselijke norm. Niet betwist wordt dat appellant vanaf 16 februari 2017 dak- en thuisloos was en dat de aan hem toegekende norm de juiste is. Bijstand is niet bedoeld als vergoeding voor gestelde schade over een voorafgaande periode zodat aan de vraag of het redelijk was de voor appellant geldende norm toe te passen niet wordt toegekomen.

Conclusie

3.7.

Uit 3.2 volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond zal worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Uit 3.3 tot en met 3.6 volgt dat het beroep tegen het nader besluit ongegrond zal worden verklaard.

Verzoek om schadevergoeding.

4. Bij brief van 25 september 2019, met bijlagen, heeft appellant verzocht om vergoeding van de door hem geleden schade als gevolg van de onrechtmatige besluiten.

4.1.

Niet in geding is dat het college bij besluit van 13 april 2018 een bedrag van € 618,28 aan wettelijke rente heeft vergoed en bij nader besluit een bedrag van € 261,80.

4.2.

Bij brief van 13 februari 2020 heeft het college een reactie gegeven op het verzoek van appellant.

4.3.

Op het verzoek van appellant is titel 8.4 van de Awb van toepassing, nu de schadeveroorzakende besluiten dateren van na 1 juli 2013, de datum waarop genoemde titel van de Awb in werking is getreden. De besluiten van 4 december 2015 en 23 december 2015 worden als onrechtmatige besluiten aangemerkt. Daarmee is ook de toerekening van die onrechtmatigheid aan het college gegeven.

Materiële schade

4.4.

Appellant heeft verzocht om, naast de aan hem verstrekte vergoeding van de wettelijke rente, over te gaan tot vergoeding van de kosten die hij in verband met de ontruiming van zijn woning heeft gemaakt tot een bedrag van € 2.413,74.

4.4.1.

Op grond van artikel 6:119, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bestaat schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest. Dit betreft een gefixeerde schadevergoeding. Deze schade wordt geacht te zijn vergoed met betaling van de wettelijke rente door het college, zodat voor afzonderlijke vergoeding van deze schade geen plaats is. In dit geval geldt voorts dat de gestelde schade ten gevolge van de ontbinding van de huurovereenkomst bij vonnis van de kantonrechter van 2 juni 2016 (vonnis) niet in een zodanig oorzakelijk verband met de onrechtmatige besluitvorming staat dat zij het bestuursorgaan als rechtstreeks gevolg van de vernietigde besluiten kan worden toegerekend. Uit het vonnis blijkt immers dat appellant in die procedure zelf heeft aangegeven dat zijn huurachterstand reeds in maart 2015 is ontstaan nadat hij in november 2014 zelf zijn bijstand heeft beëindigd omdat hij – nadat hij een schenking van zijn moeder had ontvangen – naar het buitenland is gegaan en dat het, toen hij in februari 2015 in Nederland terugkwam, tot mei 2015 heeft geduurd totdat hem weer bijstand werd toegekend. Hieruit volgt dat de ontruiming van de woning van appellant niet is voortgevloeid uit de onrechtmatige besluiten van 4 december 2015 en 23 december 2015.

Immateriële schade

4.5.

Appellant heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade die hij stelt te hebben geleden, omdat hij veel spanningen en stress heeft ervaren door de onrechtmatige besluiten en de daarop volgende procedure. Met name het feit dat hij hierdoor zijn huur niet meer kon betalen en hij dakloos is geworden heeft hij als zeer vernederend ervaren. Ook heeft hij hierdoor zijn vrouw en kinderen meer dan twee jaar niet meer kunnen bezoeken.

4.5.1.

Bij de beantwoording van de vraag of voldoende aanleiding bestaat om immateriële schade toe te kennen, moet naar vaste rechtspraak zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht (zie onder meer de uitspraak van 26 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3169). Voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, van het BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de benadeelde. Verder moet worden bedacht dat daarvoor in gevallen als deze in de regel onvoldoende is dat sprake is van een meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door een onrechtmatig besluit of daarmee gelijk te stellen handeling van een bestuursorgaan.

4.5.2.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij voor vergoeding in aanmerking komende immateriële schade lijdt of heeft geleden, zodat het verzoek om vergoeding daarvan moet worden afgewezen. De Raad acht het aannemelijk dat appellant stress en spanningen heeft ondervonden door het besluit waarbij - achteraf bezien - zijn bijstand onrechtmatig is beëindigd en dat hij daardoor zijn echtgenote en kinderen die in de Dominicaanse Republiek wonen meer dan twee jaar niet heeft gezien. De onrechtmatige besluiten zijn echter op zichzelf beschouwd ontoereikend voor de conclusie dat sprake is van aantasting van de persoon die recht geeft op schadevergoeding. Ten aanzien van de door appellant ervaren vernedering als gevolg van het feit dat hij dakloos is geworden is de Raad, onder verwijzing naar 4.4.1, ook voor wat betreft het verzoek om vergoeding van immateriële schade van oordeel dat de ontruiming van zijn woning niet in causaal verband staat met de onrechtmatige besluiten. Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij zodanig leed heeft ondervonden van de onrechtmatige besluiten, dat kan worden gesproken van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer of andere persoonlijkheidsrechten als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, van het BW. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt daarom afgewezen.

Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

4.6.

Appellant heeft aangevoerd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.6.1.

De vraag of de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van een zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

4.6.2.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.

4.6.3.

In een geval als dit, waarin een vernietiging van een beslissing op bezwaar, met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, leidt tot het opnieuw instellen van beroep, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend tenzij in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd.

4.6.4.

In het geval van appellant zijn vanaf de ontvangst door het college van het bezwaarschrift op 9 december 2015 tot de datum van deze uitspraak, 23 juni 2020, vier jaar en ruim zes maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim zes maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is veroorzaakt in de periode na de uitspraak van de Raad van 14 november 2017. Hierna heeft het immers tot 19 maart 2018 geduurd voordat het college opnieuw op de bezwaren van appellant heeft beslist en heeft het vervolgens tot 2 december 2019 geduurd voordat het college het uiteindelijk rechtmatige nader besluit heeft genomen. Al met al heeft het meer dan twee jaar geduurd voordat de besluitvorming van het college na de uitspraak van de Raad voltooid was. Dit betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn in zeer overwegende mate is toe te rekenen aan het handelen van het college. Hieruit volgt dat het college dient te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant ten bedrage van € 1.000,-.

Proceskosten

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 0,5 punt voor het geven van een gevraagde schriftelijke zienswijze naar aanleiding van het nader besluit en 1 punt voor het verzoek om schadevergoeding in verband met de redelijke termijn met wegingsfactor 0,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 19 maart 2018 gegrond en vernietigt dit besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 2 december 2019 ongegrond;

  • -

    veroordeelt het college tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.050,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 47,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter, in tegenwoordigheid van R.B.E van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2020.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) R.B.E van Nimwegen