Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1311

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
17/1320 WAJONG
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:346, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een Wajong uitkering toe te kennen op de grond dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk 1A van de Wajong. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant terecht in staat is geacht om vier uur per dag te werken. In de beschikbare medische gegevens zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat appellant, wanneer rekening wordt gehouden met zijn beperkingen, onder de door het Uwv geschetste voorwaarden voor het functioneren in een werkomgeving, niet gedurende vier uur per dag belastbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1320 WAJONG

Datum uitspraak: 25 juni 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

13 januari 2017, 15/7505 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Erik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2019. Appellant is verschenen, vergezeld van zijn vader en broer, en is bijgestaan door mr. M.I. Bal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Breevoort.

Het onderzoek is na de zitting heropend. Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord en nadere stukken ingediend. Appellant heeft daarop gereageerd.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een (nader) onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1997, heeft met een op 8 januari 2015 door het Uwv ontvangen formulier een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is een brief van 17 februari 2015 van de oogarts van appellant overgelegd, waarin melding is gemaakt van de oogaandoening van appellant, die maakt dat hij valt onder de noemer ‘maatschappelijk blind’. Ook is oogheelkundige informatie van Visio overgelegd, waaruit onder meer blijkt dat appellant is aangewezen op leeshulpmiddelen. Op het aanvraagformulier heeft appellant te kennen gegeven dat hij als gevolg van zijn oogaandoening hulp nodig heeft bij zijn persoonlijke verzorging, zoals scheren, wassen en eten. Verder heeft appellant gemeld dat hij problemen heeft met reizen, omdat hij de borden bij bushaltes en op stations niet kan lezen. Appellant volgde op het moment van de aanvraag onderwijs op VMBO-TL-niveau op een school voor kinderen met leesbeperkingen.

1.2.

Bij besluit van 8 april 2015 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellant niet voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk 1A van de Wajong. Dit besluit is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. De conclusie uit deze onderzoeken luidt dat appellant arbeidsvermogen heeft.

1.3.

Bij besluit van 28 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 8 april 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 oktober 2015 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 oktober 2015 ten grondslag. In deze rapporten is geconcludeerd dat er geen reden is af te wijken van de conclusies van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe – voor zover in hoger beroep van belang – het volgende overwogen. Het medisch onderzoek heeft op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Er zijn medische beperkingen vastgesteld die samenhangen met de ‘maatschappelijke blindheid’ van appellant. Omdat geen sprake is van een aandoening die een ernstige energetische beperking geeft is een urenbeperking niet noodzakelijk, zodat terecht is geconcludeerd dat appellant bij geheel passende omstandigheden vier uur per dag kan werken. Omdat de aandoening van appellant evenmin betekent dat hij herhaaldelijk bijsturing nodig heeft, is voorts terecht geconcludeerd dat appellant een uur aaneengesloten belastbaar is. Appellant kan een taak verrichten, omdat bij eventueel beeldschermwerk gebruik kan worden gemaakt van ondersteunende hulpmiddelen die hem ook in het kader van zijn schoolopleiding ter beschikking zijn gesteld. De gestelde onmogelijkheid van het reizen is in dit verband niet relevant, omdat het (al dan niet met een voorziening) kunnen reizen geen deel uitmaakt van de beoordeling of iemand een taak kan verrichten.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat bij het onderzoek van het Uwv ten onrechte is uitgegaan van ondersteunende factoren, zoals het volgen van onderwijs en het zelfstandig kunnen reizen. Ten onrechte is hierbij niet betrokken dat appellant volledig afhankelijk is van de hulp en begeleiding van anderen. Appellant is als gevolg van zijn beperkingen niet in staat om de voorbeeldtaak van telefonisch informatie verstrekken uit te oefenen. Daarvoor zal hij toch ook moeten lezen, en dat kan hij niet. Dat hij hiervoor gebruik kan maken van de hulpmiddelen die hem ter beschikking waren gesteld voor zijn school is onvoldoende, nu is gebleken dat hij zijn school niet heeft kunnen afronden. Dat de (on)mogelijkheid van het zelfstandig kunnen reizen geen deel uitmaakt van de beoordeling welke taak kan worden verricht kan zo zijn, maar door het Uwv is het zelfstandig kunnen reizen ten onrechte als ondersteunende factor gezien om arbeidsvermogen aan te nemen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het wettelijk kader en het toetsingskader dat het Uwv hanteert voor de beoordeling van de vraag of een verzekerde beschikt over mogelijkheden tot arbeidsparticipatie wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018, en

5 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3881. In deze zaak wordt volstaan met vermelding van het volgende.

4.2.

Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

4.3.

Op grond van artikel 1a, aanhef en eerste lid, van het Schattingsbesluit, voor zover hier van belang, heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, van de Wajong 2015, indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

4.4.

Partijen zijn het er over eens dat appellant forse belemmeringen heeft als gevolg van zijn visuele stoornis. Tussen partijen is in geschil of appellant arbeidsvermogen had [in]

2015, de dag dat hij achttien jaar is geworden. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant gedurende ten minste vier uur per dag een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie.

4.5.

Een taak is de kleinste eenheid van een functie en bestaat uit één of meerdere handelingen. Om de betreffende taak te kunnen uitvoeren, moet iemand voldoen aan de taakspecifieke eisen uit de taakomschrijving. In hoger beroep heeft het Uwv de beschrijving van de geselecteerde taak ‘telefonisch informatie verschaffen’ overgelegd. Hieruit blijkt dat bij deze taak relevante gegevens in klad moeten worden genoteerd (digitaal of op papier), bij het beantwoorden van vragen gebruik wordt gemaakt van diverse computersystemen waarin informatie terug is te vinden, het gesprek zo kort mogelijk moet worden gehouden en in een systeem voor elk gesprek in een paar zinnen wordt geregistreerd waarom is gebeld en welke afspraken zijn gemaakt. Bij de taakeisen staat dat met meerdere applicaties moet worden gewerkt en dat wordt beschikt over een redelijke typesnelheid.

4.6.

In een rapport van 12 november 2019 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep naar aanleiding van de vragen van de Raad over de geschiktheid van deze taak onder meer uiteengezet dat het in een begripvolle werkomgeving zeker getolereerd zal worden dat bij appellant sprake is van een tragere afhandeling. Gelet echter op de bij de taak beschreven kenmerkende arbeidsverrichtingen, de karakteristiek van de werksituatie en de taakeisen, acht de Raad met deze toelichting onvoldoende gemotiveerd dat de taak in voldoende mate aansluit bij de krachten en bekwaamheden van appellant, waaronder diens visuele beperkingen. Zo is niet onderbouwd dat binnen de context van een arbeidsorganisatie een begripvolle werkomgeving bij het verrichten van de taak een voldoende oplossing biedt voor bijvoorbeeld de langere verwerkingssnelheid bij de (veelvuldige) contacten met derden. Dit betekent dat het Uwv onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat de taak ‘telefonisch informatie verschaffen’ geschikt is voor appellant.

4.7.

In het rapport van 12 november 2019 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aanvullend de taak ‘invoeren van gegevens’ voor appellant geselecteerd. Hierbij is toegelicht dat, anders dan bij de taak ‘telefonisch informatie verschaffen’, een vanwege de visuele beperkingen langere verwerkingssnelheid geen probleem oplevert, omdat contact met derden niet een kenmerkend taakelement is. Een lager tempo, zoals door appellant aangevoerd, staat daarmee het uitvoeren van deze taak in een arbeidsorganisatie niet in de weg. Verder kan appellant bij de uitoefening van deze taak gebruik maken van voorzieningen, zoals vergrotende computersoftware en een (TV-)loep. Hiermee is voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat deze taak geschikt is voor appellant. Daarbij wordt betrokken dat de omstandigheid dat appellant zijn opleiding niet met goed gevolg heeft afgerond niet meebrengt dat hij geen gebruik kan maken van genoemde voorzieningen, terwijl dat ook anderszins niet is gebleken.

4.8.

De beroepsgrond dat het Uwv ten onrechte rekening heeft gehouden met ondersteunende factoren als het volgen van onderwijs en het zelfstandig kunnen reizen treft alleen daarom al geen doel, omdat uit de beschikbare gegevens niet kan worden afgeleid dat appellant, zoals hij betoogt, daarbij volledig afhankelijk is van de hulp en begeleiding van anderen. Voor het standpunt, dat appellant wegens noodzakelijke hulp en begeleiding niet in staat is gedurende één uur aaneengesloten een taak te verrichten, is in de gedingstukken evenmin een objectieve onderbouwing te vinden.

4.9.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant terecht in staat is geacht om vier uur per dag te werken. In de beschikbare medische gegevens zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat appellant, wanneer rekening wordt gehouden met zijn beperkingen, onder de door het Uwv geschetste voorwaarden voor het functioneren in een werkomgeving, niet gedurende vier uur per dag belastbaar is.

4.10.

Uit 4.5 tot en met 4.9 vloeit voort dat het Uwv het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb wordt gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat belanghebbenden door deze schending niet zijn benadeeld. Ook als deze schending zich niet had voorgedaan, zou een besluit met een gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd met verbetering van gronden.

5. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep en € 1.050,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.100,-.

6. Tevens bestaat aanleiding te bepalen dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.100,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en

D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van D.S Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2020.

(getekend) M. Greebe

(getekend) D.S. Barthel