Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1303

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
19/5417 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep bij rechtbank ingetrokken. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek van appellant om de korpschef te veroordelen in de proceskosten terecht afgewezen. De Raad kan zich volledig vinden in het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5417 AW

Datum uitspraak: 25 juni 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
9 december 2019, 19/1269 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.A.J.T. Hoogendoorn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens de korpschef heeft mr. L.M. Burger, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 29 januari 2019 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar van appellant tegen de salarisspecificatie van oktober 2018, voor zover dat bezwaar ziet op het niet uitbetaald zijn van de verschuldigde wettelijke rente over aan appellant toegekende dwangsommen, gegrond verklaard. In het bestreden besluit is vermeld dat de korpschef uit het bezwaar opmaakt dat appellant vragen heeft over de inhouding van loonheffing en pensioenpremies. Voor die vragen kan appellant zich wenden tot de salarisadministratie, de Belastingdienst en/of het ABP. De korpschef heeft er verder op gewezen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld uitspraak van 15 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3617) een bezwaar tegen de inhouding van loonheffing bij een ambtenaar niet bij het bevoegd gezag van de ambtenaar moet worden gemaakt maar bij de inspecteur van de Belastingdienst (inspecteur). Omdat de korpschef het bezwaar op het punt van de ingehouden loonheffing niet beschouwt als een bezwaar tegen inhouding van loonheffing, maar - zoals volgt uit het voorgaande - een vraag om nadere informatie, zal de korpschef het bezwaar van appellant niet doorzenden, aldus het bestreden besluit.

1.2.

Nadat appellant bij de rechtbank beroep tegen het bestreden besluit had ingesteld, heeft de korpschef het bezwaar van appellant alsnog doorgezonden aan de inspecteur.

1.3.

Vervolgens heeft appellant het beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de rechtbank verzocht de korpschef te veroordelen in de proceskosten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek van appellant om de korpschef te veroordelen in de proceskosten afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is de korpschef door het bezwaar van appellant door te zenden aan de inspecteur niet tegemoetgekomen aan het beroep van appellant. Van tegemoetkomen is slechts sprake indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt, tenzij dit besluit kennelijk is genomen op andere gronden dan de indiener van het beroepschrift heeft aangevoerd. De korpschef heeft geen nieuwe beslissing genomen op het bezwaar van appellant tegen de inhoudingen op zijn brutosalaris van oktober 2018. De korpschef heeft het bezwaar slechts ter behandeling doorgezonden naar de inspecteur. Van het nemen van een nieuw besluit, conform wat door appellant gewenst wordt, is dus geen sprake. Hierbij komt dat de beslissing van de korpschef om het bezwaar door te zenden, een beslissing is in de zin van artikel 6:15 van de Awb, waartegen op grond van artikel 6:3 van de Awb geen bezwaar of beroep openstaat. Een dergelijke beslissing kan niet door appellant door het instellen van beroep worden afgedwongen, zodat ook daarom niet gezegd kan worden dat de korpschef aan appellant is tegemoet is gekomen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.

4.2.

De Raad kan zich volledig vinden in het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Daargelaten de juistheid van de (aanvankelijke) opvatting van de korpschef dat het bezwaar op het punt van de ingehouden loonheffing slechts was aan te merken als een verzoek om nadere informatie, heeft de doorzending van het bezwaar van appellant er immers niet toe geleid dat de salarisspecificatie van oktober 2018 is herroepen. De korpschef is van de salarisspecificatie niet teruggekomen. Voor veroordeling van het de korpschef in de proceskosten van appellant is reeds hierom geen plaats. De rechtbank heeft dit verzoek dan ook terecht afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2020.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) P.W.J. Hospel