Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1283

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
17/3368 Wajong
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat de arbeidsongeschiktheid van appellante niet duurzaam was als bedoeld in artikel 2:4 van de Wajong 2010, zodat aan een van de cumulatieve voorwaarden niet is voldaan en het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien om voor de toekomst terug te komen van het besluit van 24 december 2014.

Het Uwv heeft zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat bij appellante op haar achttiende verjaardag en op de datum van de aanvraag, geen sprake was van een situatie waarin mogelijkheden tot arbeidsparticipatie duurzaam ontbraken, zodat de aanvraag van 28 april 2015, voor zover die zag op hoofdstuk 1A van de Wajong, terecht is afgewezen. Voldoende medische onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2020/333 met annotatie van A.C. Hendriks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/3368 Wajong

Datum uitspraak: 19 juni 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

9 maart 2017, 16/2690 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W.F. Noot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2019. Voor appellante is mr. Noot verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1996, heeft op 24 september 2014 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010). Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellante gezien op het spreekuur en onder meer genoteerd dat er aanwijzingen zijn voor gedragsproblemen bij appellante, dat sprake is van een gestoorde persoonlijkheidsontwikkeling en dat appellante een WSW-indicatie heeft. De verzekeringsarts heeft ADHD en een persoonlijkheidsstoornis NAO vermeld als diagnose. Appellante heeft volgens de verzekeringsarts forse beperkingen maar ook functionele mogelijkheden, waarbij hij verwacht dat de medische situatie op lange termijn zal verbeteren en de functionele mogelijkheden zullen toenemen. Bij besluit van 24 december 2014 heeft het Uwv de aanvraag van appellante afgewezen, omdat zij niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en participatiemogelijkheden heeft. Hiertegen heeft appellante geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte is komen vast te staan.

1.2.

Appellante heeft met een door het Uwv op 23 oktober 2015 ontvangen formulier opnieuw een Wajong-aanvraag ingediend. Hierbij heeft appellante vermeld dat zij nog steeds gedragsproblemen heeft. Ze heeft moeite met het zich aanpassen aan anderen en met machtsverhoudingen, kan snel ontploffen, is snel afgeleid, heeft geen interesses en er is een terugkerend patroon van conflictsituaties. Bij de aanvraag is een rapport van drs. R.M.T. Mokveld, registerpsycholoog, van 20 juli 2015 en een behandelplan van GZ-psycholoog J. Bemelmans van 25 juli 2014 gevoegd.

1.3.

Het Uwv heeft de aanvraag opgevat als een verzoek om een Wajong-uitkering, te beoordelen naar de maatstaven van hoofdstuk 1A van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015). Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts appellante op 24 november 2015 onderzocht en geconcludeerd dat zij structurele problemen heeft wat betreft haar psychisch functioneren, dat zij wel kan werken maar dat het werk onder meer eenvoudig, duidelijk gestructureerd en zonder hoge tijdsdruk moet zijn en dat appellante een verhoogde begeleidingsbehoefte heeft, die op termijn zal kunnen afnemen of zelfs geheel verdwijnen. Volgens de verzekeringsarts beschikt appellante over basale werknemersvaardigheden, kan zij tenminste één uur aaneengesloten werken en is zij tenminste vier uren per dag belastbaar. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens dossieronderzoek verricht en appellante gesproken. Naar zijn mening beschikt appellante over basale werknemersvaardigheden, kan zij een taak uitvoeren in een arbeidsorganisatie en heeft zij dus, mede gezien de conclusies van de verzekeringsarts, arbeidsvermogen. Bij besluit van 8 februari 2016 heeft het Uwv de aanvraag van appellante voor een uitkering op grond van de Wajong 2015 afgewezen, omdat zij beschikt over arbeidsvermogen.

1.4.

Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt, waarbij zij een brief van gedragsdeskundige drs. N. Reemers van Humanitas LLC Homerun van 14 maart 2016 heeft ingebracht. Naar aanleiding van de beantwoording door appellante van vragen van het Uwv over de bedoeling van haar aanvraag, heeft het Uwv, gelet op de zogenoemde duuraanspraak jurisprudentie van de Raad, de aanvraag van 22 oktober 2015 tevens opgevat als een verzoek om voor de toekomst terug te komen van het besluit van 24 december 2014.

1.5.

Bij besluit van 20 juli 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 februari 2016 ongegrond verklaard. Op grond van de beoordeling van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 juli 2016 heeft het Uwv geconcludeerd dat de medische grondslag van het eerdere besluit van 24 december 2014 gehandhaafd kan blijven en dat appellante op die grond geen aanspraak heeft op een Wajong-uitkering naar aanleiding van haar aanvraag van 23 oktober 2015. Ten aanzien van de beoordeling op grond van de Wajong 2015 heeft het Uwv onder verwijzing naar een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 juli 2016 geconcludeerd dat er aanleiding is om af te wijken van de beoordeling door de primaire arbeidsdeskundige. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kan appellante niet één uur aaneengesloten werken en heeft zij daarom geen arbeidsvermogen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep meent echter dat dit geen duurzame situatie is, omdat verbetering kan optreden met de nodige behandeling en intensieve begeleiding. Het Uwv heeft daarom het besluit gehandhaafd dat appellante geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wajong 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de aanvraag van appellante niet kan worden aangemerkt als een nieuwe aanvraag onder de Wajong 2015, omdat onder de Wajong 2010 een eerste aanvraag van appellante onherroepelijk is afgewezen. Daarom wordt toegekomen aan een oordeel over de juistheid van het standpunt van het Uwv dat appellante op grond van de bepalingen uit de Wajong 2015 geen recht heeft op een Wajong-uitkering. Omtrent het verzoek om toepassing van de duuraanspraak jurisprudentie heeft de rechtbank geoordeeld dat, nu de aanvraag van appellante dateert van 23 oktober 2015 en ziet op een herziening voor de toekomst, appellante op grond van artikel 2:15, vierde lid, van de Wajong 2015, niet meer in aanmerking kan komen voor een uitkering voor de toekomst. Het recht op arbeidsondersteuning kan immers niet ingaan na 1 januari 2015. Om deze reden is de rechtbank niet toegekomen aan de bespreking van de beroepsgrond van appellante dat zij ten tijde van de eerste aanvraag volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was.

3.1.

Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat op grond van alle beschikbare rapporten had moeten worden beoordeeld of zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van de Wajong 2010. Bij bevestigende beantwoording had met herziening van het besluit van 24 december 2014 een uitkering voor de toekomst verstrekt moeten worden. Subsidiair had volgens appellante een toetsing aan hoofdstuk 1A van de Wajong 2015 moeten plaatsvinden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Bij het bestreden besluit, aangevuld bij het verweerschrift in beroep, heeft het Uwv allereerst gemotiveerd beslist dat appellante naar aanleiding van haar aanvraag van

23 oktober 2015 geen aanspraak op een Wajong-uitkering kan ontlenen aan de Wajong 2010, omdat zij ten tijde van de ontvangst van de eerste Wajong-aanvraag op 24 september 2014 niet kon worden aangemerkt als een volledige en duurzaam arbeidsongeschikte jonggehandicapte. Voor de onderbouwing van deze beslissing heeft het Uwv gewezen op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 juli 2016.

4.2.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld staat artikel 2:15, vierde lid, van de Wajong 2015 niet in de weg aan de beoordeling van het verzoek om voor de toekomst terug te komen van het besluit van 24 december 2014 (zie de uitspraak van de Raad van 6 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2994). Deze beoordeling is ook door het Uwv verricht en heeft geleid tot het standpunt dat het oorspronkelijke besluit niet onjuist was en dat het Uwv de Wajong‑aanvraag destijds terecht heeft afgewezen. In onder meer de genoemde uitspraak heeft de Raad ook verduidelijkt wat onder volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 2:4 van de Wajong 2010 moet worden verstaan. Ten aanzien van de duurzaamheid is daarbij overwogen dat sprake moet zijn van een situatie van het blijvend ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie, waaronder moet worden verstaan dat de betrokkene niet tot het verrichten van betaalde arbeid in staat is, nu niet en in de toekomst niet, ook niet na of met behulp van ondersteuning of in de vorm van beschut werk.

4.3.

In haar rapport van 9 juli 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat naar haar mening het medisch beeld bij appellante niet anders is dan het beeld waarmee eind 2014 bij de eerdere beoordeling rekening werd gehouden. De medische situatie van appellante maakt behandeling en begeleid wonen noodzakelijk. Volgens de verzekeringsarts heeft appellante beperkingen en heeft zij behoefte aan begeleiding, waarmee rekening moet worden gehouden. De verzekeringsarts heeft gesteld dat verbetering mogelijk is bij adequate begeleiding en behandeling en dat daarom de arbeidsbeperkingen en de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam zijn. In haar rapport heeft de verzekeringsarts dit standpunt overtuigend onderbouwd. Daaruit moet worden afgeleid dat geen sprake was bij appellante van een situatie van blijvend ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de Wajong 2010 en dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de medische situatie van appellante destijds niet juist is vastgesteld.

4.4.

Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat de arbeidsongeschiktheid van appellante niet duurzaam was als bedoeld in artikel 2:4 van de Wajong 2010, zodat aan een van de cumulatieve voorwaarden niet is voldaan en het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien om voor de toekomst terug te komen van het besluit van 24 december 2014.

4.5.

Appellante heeft met haar aanvraag van 23 oktober 2015 ook beoogd om in aanmerking te worden gebracht voor een Wajong-uitkering op grond van hoofdstuk 1A van de Wajong 2015. Het Uwv heeft haar aanspraken beoordeeld en heeft haar aanvraag afgewezen. Gelet op de eerder genoemde rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ligt aan dat besluit ten grondslag dat appellante weliswaar op haar achttiende verjaardag en op de datum van de aanvraag, 23 oktober 2015, geen arbeidsvermogen had, maar dat het ontbreken daarvan niet duurzaam is.

4.6.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is er geen beletsel (zie de uitspraak van de Raad van 2 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3222) de aanvraag van 23 oktober 2015 (ook) aan te merken als een aanvraag om in aanmerking te worden gebracht voor een Wajong‑uitkering op grond van hoofdstuk 1A van de Wajong 2015.

4.7.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Voor een meer algemene beschrijving van het beoordelingskader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018.

4.8.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich in het rapport van 9 juli 2016 op het standpunt gesteld dat appellante, rekening houdend met haar beperkingen en met adequate, aanvankelijk intensieve, begeleiding, in staat is tot het één uur aaneengesloten verrichten van een taak en om vier uur per dag te werken. Deze begeleidingsbehoefte is door de primaire verzekeringsarts in een rapport van 24 maart 2016 verder beschreven. Door de noodzaak van deze intensieve begeleiding zullen in het begin dagelijks meerdere malen substantiële onderbrekingen in het werkproces plaatsvinden. Deze noodzaak tot intensieve begeleiding zal echter op termijn afnemen en is dus niet duurzaam. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is tot de conclusie gekomen dat appellante wel vier uur per dag belastbaar is, maar niet in staat is om één uur aaneengesloten te werken. Wegens de intensieve persoonlijke begeleiding zullen veelvuldige onderbrekingen in het werk c.q. productieproces voorkomen. Er is daarom geen sprake van arbeidsvermogen. Door behandeling, intensieve begeleiding en verdere ontwikkeling is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep een wezenlijke verbetering te verwachten op de lange termijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben in gezamenlijk overleg dan ook geconcludeerd dat het ontbreken van arbeidsvermogen bij appellante geen duurzaam karakter heeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 4 november 2016 nog opgemerkt dat uit het rapport van Mokveld blijkt dat bij appellante sprake is van behandelmogelijkheden, zoals een agressieregulatietraining en verwijzing naar PsyQ voor de behandeling van ADHD, waardoor zij meer grip zal krijgen op haar ADHD en op de agressie, waardoor zij minder functionele beperkingen zal gaan ervaren en, eventueel met begeleiding van een jobcoach, mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zal ontwikkelen.

4.9.

De hierboven weergegeven conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zijn inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd. In de overige medische gegevens en in wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht zijn geen aanknopingspunten te vinden voor twijfel aan het oordeel van het Uwv, dat het ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie bij appellante niet duurzaam was.

4.10.

Uit 4.8 en 4.9 volgt dat het Uwv zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij appellante op haar achttiende verjaardag en op 23 oktober 2015, de datum van de aanvraag, geen sprake was van een situatie waarin mogelijkheden tot arbeidsparticipatie duurzaam ontbraken, zodat de aanvraag van 28 april 2015, voor zover die zag op hoofdstuk 1A van de Wajong, terecht is afgewezen.

5. Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd met verbetering van gronden.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet als voorzitter en T. Dompeling en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2020.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

De griffier is verhinderd te ondertekenen.