Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1274

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
16/1503 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 18 juni 2020

16/1503 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 februari 2016, 15/7254 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 24 juli 2019 een tussenuitspraak gedaan, gepubliceerd onder ECLI:NL:CRVB:2019:2461.

Het Uwv heeft op 1 augustus 2019 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 16 augustus 2019 heeft mr. L.R. Beuker namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.

Het Uwv heeft bij brief van 13 januari 2020 meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen een vergoeding van proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 1 augustus 2019 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Bpb, begroot op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 1.575,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 0,5 punt voor een schriftelijke zienswijze en 1,5 punt voor het verschijnen ter zitting).

De reiskosten die appellant heeft moeten maken voor het bijwonen van de zittingen bij de Raad komen tot een bedrag van € 51,76 (openbaar vervoer 2e klas) voor vergoeding in aanmerking.

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.676,76.

Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2020.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) J.A. Achterberg

IvR