Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1257

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
18/2192 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken IOAW en bijstand. Niet gemelde werkzaamheden in snackbar. Betreft werkzaamheden in de zin van IOAW en PW omdat deze op geld waardeerbaar zijn. Door onbekende omvang van de werkzaamheden is niet vast te stellen of appellant werkloze werknemer is in de zin van de IOAW. Recht op bijstand niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2192 PW, 18/2193 NIOAW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

15 maart 2018, 17/6430 en 17/6431 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 16 juni 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.F. Achekar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 26 augustus 2016 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW). Daarnaast ontving appellant sinds 26 augustus 2016 in aanvulling op de

IOAW-uitkering bijstand op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Naar aanleiding van de anonieme melding van 15 juli 2016 dat appellant sinds vijf jaar fulltime werkt bij [snackbar] (snackbar) heeft een handhavingspecialist van de afdeling Handhaving, Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar mogelijke werkzaamheden en inkomsten van appellant. In dat kader heeft de handhavingspecialist onder meer dossieronderzoek verricht, hebben de handhavingspecialist en een collega handhavingspecialist in de periode van 30 maart 2017 tot en met 9 april 2017 waarnemingen verricht bij de snackbar en heeft de handhavingspecialist appellant op 10 april 2017 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 11 april 2017.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

21 april 2017 de IOAW-uitkering van appellant in te trekken. Appellant heeft volgens het college geen recht op een IOAW-uitkering omdat hij door werkaanvaarding niet langer is te beschouwen als werkloos. Bij afzonderlijk besluit van 21 april 2017 heeft het college de bijstand van appellant eveneens met ingang van 26 augustus 2016 ingetrokken omdat appellant over voldoende inkomsten uit werkzaamheden beschikt en daarom geen recht op bijstand heeft.

1.4.

Bij besluit van 22 september 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 21 april 2017 ongegrond verklaard en die besluiten - onder wijziging van de grondslag - gehandhaafd. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant geen melding heeft gemaakt van de door hem verrichte werkzaamheden in de snackbar. Omdat appellant van deze werkzaamheden geen boekhouding heeft bijgehouden, kan het recht op de IOAW-uitkering niet worden vastgesteld. Het recht op bijstand kan evenmin worden vastgesteld. De door appellant in de snackbar verrichte werkzaamheden zijn aan te merken als op geld waardeerbare werkzaamheden. Appellant heeft hiervan geen melding gemaakt en de op hem ingevolge de PW rustende inlichtingenverplichting geschonden. De in bezwaar overgelegde salarisspecificaties zijn tegenstrijdig met de verklaring van appellant. Het recht op IOAW-uitkering noch het recht op bijstand kan hiermee worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 26 augustus 2016 tot en met 21 april 2017. Appellant heeft - samengevat weergegeven - aangevoerd dat de werkzaamheden van appellant in de snackbar tot 1 januari 2017 onbeloond waren en de IOAW-uitkering en de bijstand ten onrechte zijn ingetrokken. Deze werkzaamheden zijn na 1 januari 2017 overeenkomstig de overgelegde salarisspecificaties uitbetaald waarmee het recht op IOAW-uitkering en bijstand kan worden vastgesteld, aldus appellant. Gelet op de beroepsgronden van appellant ziet de Raad aanleiding een onderscheid te maken naar de volgende perioden.

26 augustus 2016 tot en met 31 december 2016

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hij in de te beoordelen periode tot en met 31 december 2016 enkel als wederdienst voor geboden hulp geregeld heeft meegeholpen in de snackbar. Omdat sprake was van onbeloonde werkzaamheden en appellant geen inkomsten had, stelt appellant recht te hebben op een IOAW-uitkering.

4.2.1.

Voor de vraag of appellant in deze periode recht had op een IOAW-uitkering moet worden beoordeeld of appellant kan worden aangemerkt als werkloze werknemer in de zin van de IOAW.

4.2.2.

Voor de uitleg van het begrip werkloze werknemer dient nauwe aansluiting te worden gezocht bij de Werkloosheidswet. Gelet daarop zijn van belang de aard en de omvang van de door appellant verrichte werkzaamheden en zijn feitelijke beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Onder werkzaamheden uit hoofde waarvan een werknemer zijn hoedanigheid als werkloze werknemer verliest moet volgens vaste rechtspraak worden verstaan: arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht. Zie de uitspraak van 4 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2760.

4.3.

De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het oordeel dat appellant in de gehele te beoordelen periode en daarmee ook in de hier bedoelde periode werkzaamheden als bedoeld in 4.2.2 heeft verricht. Daartoe is van belang dat appellant op

10 april 2017 heeft verklaard dat hij de eigenaar van de snackbar kent, eerder in 2004, 2005, 2011 en 2013 voor hem heeft gewerkt, en hem, vanaf de datum dat hij een uitkering heeft, heeft geholpen in de snackbar. Appellant bedient klanten, neemt hun bestellingen aan en rekent met hen af. Appellant heeft verder verklaard dat hij dit drie à vier dagen per week doet en dan anderhalf à tweeënhalf uur per dag werkt. Hij heeft van deze werkzaamheden geen administratie bijgehouden. Voorts is appellant in de periode van 30 maart 2017 tot en met

9 april 2017 op zes van de zeven observatiedagen waargenomen in de snackbar. Daarbij is onder meer waargenomen dat hij een keukenschort droeg, achter de toonbank stond, klanten bediende, patat en snacks klaarmaakte, afrekende en schoonmaakwerkzaamheden verrichtte. De stelling dat appellant tot 1 januari 2017 voor deze werkzaamheden geen betaling heeft ontvangen, betekent niet dat geen sprake is van werkzaamheden als bedoeld in 4.2.2. De door appellant verrichte werkzaamheden worden in het economisch verkeer verricht en met deze werkzaamheden wordt het verkrijgen van geldelijk voordeel (loon) beoogd of kan dit volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs worden verwacht en zijn daarom aan te merken als werkzaamheden uit hoofde waarvan een werknemer zijn hoedanigheid als werknemer verliest.

4.4.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de door hem in de te beoordelen periode tot en met 31 december 2016 verrichte werkzaamheden niet zijn aan te merken als op geld waardeerbare werkzaamheden in de zin van de PW. Appellant heeft geen inkomsten ontvangen en had geen intentie om daadwerkelijk in de snackbar te gaan werken omdat de eigenaar hem niet kon betalen.

4.4.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de PW, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.

4.4.2.

Anders dan appellant heeft aangevoerd zijn de door hem in de te beoordelen periode tot en met 31 december 2016 verrichte werkzaamheden gelet op de aard en de omvang daarvan aan te merken als op geld waardeerbare werkzaamheden.

4.5.

Door geen melding te maken van deze werkzaamheden en geen informatie te verschaffen over de omvang hiervan heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de IOAW en als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW geschonden.

4.5.1.

Appellant heeft geen boekhouding bijgehouden en ook in hoger beroep niet met objectieve en verifieerbare gegevens inzichtelijk gemaakt wat de omvang van de werkzaamheden in de te beoordelen periode tot 1 januari 2017 was. Dit heeft tot gevolg dat niet kan worden vastgesteld of appellant kan worden aangemerkt als werkloze werknemer in de zin van de IOAW.

4.5.2.

Het recht op bijstand kan, gelet op het ontbreken van een boekhouding en objectieve en verifieerbare gegevens over de werkzaamheden in de te beoordelen periode tot 1 januari 2017, evenmin worden vastgesteld.

Periode 1 januari 2017 tot en met 21 april 2017

4.6.

Ten aanzien van de periode van 1 januari 2017 tot en met 21 april 2017 is niet in geschil dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn werkzaamheden in de snackbar. Het geschil tussen partijen ten aanzien van deze periode is beperkt tot de vraag of het recht op IOAW-uitkering en op bijstand kan worden vastgesteld. Appellant heeft aangevoerd dat hij over deze periode voldoende stukken heeft overgelegd waarmee de inkomsten van appellant kunnen worden vastgesteld. Appellant heeft daartoe gewezen op de in bezwaar overgelegde salarisspecificaties.

4.6.1.

Appellant heeft ten aanzien van de periode vanaf 1 januari 2017 evenmin aannemelijk gemaakt dat hij, als hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting voldaan zou hebben, recht zou hebben gehad op IOAW-uitkering dan wel op (aanvullende) bijstand. Hij heeft geen objectieve en verifieerbare gegevens verstrekt over de werkzaamheden in de snackbar. Een boekhouding of administratie van deze werkzaamheden ontbreekt.

4.6.2.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de eerst in bezwaar door appellant overgelegde salarisspecificaties van de maanden februari, maart en april 2017 geen waarde kan worden gehecht. Hiertoe is van belang dat appellant wisselend heeft verklaard over de omvang van zijn werkzaamheden in de snackbar. De salarisspecificaties stroken bovendien niet met zijn verklaring over de uitbetaling. Appellant heeft op 10 april 2017 verklaard dat hij niet wordt betaald voor zijn werkzaamheden in de snackbar en dat deze werkzaamheden moeten worden gezien als een vriendendienst. Hij heeft verder verklaard dat hij als tegenprestatie eten krijgt op de dagen dat hij daar helpt. In bezwaar heeft appellant salarisspecificaties overgelegd waarop staat vermeld dat appellant – anders dan hij op 10 april 2017 heeft verklaard – wel inkomsten heeft genoten uit zijn werkzaamheden in de snackbar en dat deze per kas zijn uitbetaald. De stelling in hoger beroep dat de eigenaar van de snackbar appellant niet heeft uitbetaald maar deze inkomsten heeft verrekend met een openstaande schuld, heeft appellant niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6.2 volgt dat het college gehouden was de IOAW-uitkering en de bijstand over de te beoordelen periode in te trekken.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2020.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) R.B.E. van Nimwegen