Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1252

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
18/2956 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand op de grond dat recht niet is vast te stellen door geen melding te maken van hennepplantage in de woning. Aanvullend recht niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2956 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 16 juni 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 19 april 2018, 17/4155 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 16 mei 2012 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Participatiewet (PW). Zij stond samen met haar vier kinderen vanaf 24 januari 2013 in de Basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op een adres in [gemeente] (uitkeringsadres). Naar aanleiding van een melding van de Politie Eenheid Limburg dat op 17 mei 2017 op het uitkeringsadres een hennepplantage is aangetroffen met in totaal 436 hennepplanten, heeft een sociaal rechercheur van de afdeling Handhaving van de gemeente Heerlen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de door appellante ontvangen bijstand. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 12 juli 2017.

1.2.

De resultaten van het onderzoek waren voor het college aanleiding om bij besluit van 27 juli 2017 de bijstand van appellante over de periode van 6 april 2017 tot 17 mei 2017 in te trekken. Het college heeft het tegen de intrekking gerichte bezwaar bij besluit van 22 november 2017 ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding heeft gemaakt van de hennepplantage in haar woning. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar tegen de aankondiging dat een terugvorderingsbesluit zal worden genomen niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 6 april 2017 tot 17 mei 2017.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Het feit dat in de door appellante gehuurde woning op het uitkeringsadres een hennepkwekerij is aangetroffen rechtvaardigt de vooronderstelling dat zij daarvan exploitant is geweest en in die hoedanigheid op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en dat de opbrengst haar ten goede is gekomen. Appellante is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij de kwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd en ook overigens in het geheel geen inkomsten uit of in verband met die kwekerij heeft ontvangen. Daarvoor ontbreken concrete en verifieerbare gegevens.

4.4.

Appellante heeft haar inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de exploitatie van de hennepkwekerij in haar woning. Zij stelt weliswaar dat zij dit niet hoefde te melden omdat zij geen inkomsten heeft genoten uit de kwekerij, maar die grond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9977) worden zowel het verrichten van activiteiten gericht op het starten van een hennepkwekerij als het exploiteren daarvan aangemerkt als omstandigheden waarvan de betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand en waarvan hij het betreffende bestuursorgaan onverwijld mededeling moet doen, ongeacht of daaruit inkomsten worden verworven.

4.5.1.

Schending van de inlichtingenverplichting vormt een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Omdat niet kan worden vastgesteld of appellante inkomsten uit of in verband met de hennepkwekerij heeft ontvangen, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het is dan aan appellante en niet aan het college, zoals appellante stelt, om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op volledige of aanvullende bijstand bestond.

4.5.2.

Appellante is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat zij, indien zij wel aan haar inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad. De omstandigheid dat appelante onder bewind stond, leefgeld kreeg en op haar bankafschriften niets onregelmatigs te zien was, maakt immers niet duidelijk of appellante inkomsten in verband met de hennepkwekerij heeft ontvangen. Zo heeft appellante tijdens haar verhoor op 18 mei 2017 verklaard dat de hennepplantage niet van haar was, maar van een man die zij niet kent en dat zij van deze man in verband met de hennepkwekerij een vergoeding van € 10.000,- zou krijgen. Niet valt vast te stellen of appellante op enig moment geld heeft ontvangen in verband met de in haar woning geëxploiteerde hennepkwekerij, zodat ook niet kan worden vastgesteld of (aanvullend) recht op bijstand bestond.

4.6.

Appellante heeft er tot slot op gewezen dat het college ten onrechte geen kosten in bezwaar heeft vergoed, omdat het besluit van 17 mei 2017 niet deugdelijk was gemotiveerd. Ook die grond slaagt niet. Blijkens artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is een vergoeding van de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken aan de orde, als het besluit waarvan de betrokkene in bezwaar is gekomen wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Dat in het besluit van 22 juli 2017, naast artikel 54, derde lid, van de PW, ten onrechte is gewezen op artikel 54, vierde lid, van de PW als grondslag voor de intrekking, is geen reden het besluit van 22 juli 2017 te herroepen. Dat is ook niet het geval voor zover appellante stelt dat zij belang had bij een beoordeling van de terugvordering en haar bezwaren op dat punt ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Zoals het college in het bestreden besluit duidelijk heeft gemaakt, lag een besluit tot terugvordering nog niet voor, maar was sprake van een aankondiging dat tot terugvordering zal worden overgegaan. Van enige betalingsverplichting was nog geen sprake.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van

R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2020.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) R.B.E. van Nimwegen