Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1228

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
15-06-2020
Zaaknummer
20/1388 PW-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening verleend. Afgewezen aanvraag om bijstand als alleenstaande ouder. Voeren gezamenlijke huishouding. Financieel belang bij verzoek om voorlopige voorziening. Voorlopig oordeel is dat er geen voldoenden feitelijke grondslag is voor voeren van gezamenlijke huishouding. Als voorschot 50% van alleenstaande oudernorm toegekend. Geen aanleiding om gehele alleenstaande oudernorm toe te kennen. Mogelijkheden om in inkomen te voorzien zijn niet geheel verdwenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/287
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20/1388 PW-VV

Datum uitspraak: 2 juni 2020

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 juli 2018, 18/888.

Namens verzoekster heeft mr. R.A. Knopper, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Op 8 april 2020 heeft mr. R.C. van der Weele, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld en namens verzoekster een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2020. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. N.C.A. Elias-Boots, kantoorgenoot van mr. Van der Weele. Als tolk was aanwezig N. Abdalla. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.B.L. Krahmer.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoekster is gehuwd geweest met [naam] (Z). Op 6 oktober 2014 zijn zij gescheiden. Zij zijn op hetzelfde adres blijven wonen en hebben samen kinderen.

1.2.

Z is eigenaar van een restaurant. In de periode van 1 oktober 2015 tot 1 oktober 2016 heeft het college aan Z op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 een bedrijfskrediet verleend en bijstand voor de kosten van levensonderhoud naar de norm voor gehuwden.

1.3.

Op 1 oktober 2016 heeft verzoekster bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Verzoekster staat in de Basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het adres [adres 1] (adres X). Z staat sinds 3 oktober 2016 in de BRP ingeschreven op het adres [adres 2] (adres Y).

1.4.

Bij besluit van 14 november 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 mei 2017, heeft het college de aanvraag van 1 oktober 2016 afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoekster geen beroep ingediend.

1.5.

Op 18 november 2016 heeft verzoekster opnieuw bijstand aangevraagd naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op het aanvraagformulier heeft verzoekster 6 oktober 2016 als gewenste ingangsdatum vermeld.

1.6.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft een fraudepreventiemedewerker van het college een onderzoek ingesteld. Daarbij is dossieronderzoek verricht, zijn gegevens opgevraagd, heeft een gesprek met verzoekster plaatsgevonden en is aansluitend een huisbezoek afgelegd op adres X, zijn waarnemingen verricht in de omgeving van de adressen X en Y, is een buurtonderzoek verricht in de omgeving van adres X en heeft een gesprek met Z plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

17 januari 2016 (lees: 2017).

1.7.

Bij besluit van 23 januari 2017, na bezwaar en in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie gehandhaafd bij besluit van 27 februari 2018 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoekster geen recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, omdat zij een gezamenlijke huishouding voert met Z. Het zwaartepunt van het persoonlijk leven van Z bevindt zich nog steeds op adres X.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen niet kunnen leiden tot het oordeel dat Z zijn hoofdverblijf had op het adres X. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 23 januari 2017 herroepen en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat met ingang van 18 november 2016 aan verzoekster bijstand wordt toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

3. Het college heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. Verzoekster heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek strekt ertoe dat aan verzoekster totdat in hoger beroep beslist is voorschotten worden toegekend ter hoogte van de voor verzoekster geldende bijstandsnorm.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5.2.1.

De voorzieningenrechter acht het door verzoekster gestelde financiële belang op zich spoedeisend. Op dit moment is sprake van een achterstand in de betaling van de huur en zorgverzekering. Verzoekster kan ten gevolge van de uitbraak van het zogenoemde coronavirus niet langer met haar vier kinderen bij anderen mee-eten. Ook kan zij ook niet langer geld lenen van de oom van haar kinderen om daarmee in hun levensonderhoud te voorzien, omdat zijn horecabedrijf nu gesloten is. Het betoog van het college dat spoedeisend belang ontbreekt, omdat verzoekster zich al twee jaar zonder regulier inkomen met haar kinderen heeft staande gehouden faalt. Verzoekster heeft verklaard geleefd te hebben van de toeslagen, informele leningen en anonieme giften. Aannemelijk is dat gelet op de lange duur en de huidige beperkingen door de eerdere genoemde uitbraak de financiële situatie van verzoekster recent is verslechterd.

5.2.2.

Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat verzoekster, omdat de feitelijke situatie niet veranderd is, nog steeds een gezamenlijke huishouding voert met Z zodat een nieuwe aanvraag wederom zal worden afgewezen. Indien het hoger beroep, voor zover het de vraag betreft of Z zijn hoofdverblijf heeft op adres X, niet slaagt, zal het college alsnog een onderzoek instellen naar de inkomens- en vermogenssituatie van verzoekster. Tot nu toe is het college daartoe, ondanks het feit dat verzoekster al bijna twee jaar geleden door de rechtbank in het gelijk is gesteld, niet overgegaan. Dit betekent dat, ook als de Raad binnen een paar maanden over het bodemgeschil zou beslissen, het nog geruime tijd kan duren voordat verzoekster duidelijkheid krijgt over haar recht op bijstand.

5.3.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening moet worden bezien of, op grond van een afweging van de wederzijds in aanmerking komende belangen bij een al dan niet onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak, het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. In het algemeen speelt bij deze belangenafweging een rol de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven en dat daarna de uiteindelijke uitkomst van de procedure aanmerkelijk anders zal zijn. Naar dit geval vertaald is dus van belang of de aangevallen uitspraak naar verwachting in hoger beroep stand zal houden. Deze toetsing kan meebrengen dat de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel geeft over het geschil in de bodemprocedure.

5.4.

Ten aanzien van de grond van het college dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Z zijn hoofdverblijf niet had op adres X, omdat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van Z niet op het adres X lag, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

5.5.

De te beoordelen periode loopt van 6 oktober 2016 tot en met 23 januari 2017.

5.6.

Op verzoekster rust als aanvraagster de bewijslast om aannemelijk te maken dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

5.7.

Op grond van het in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW opgenomen onweerlegbaar rechtsvermoeden wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

5.8.

Niet in geschil is dat uit de relatie van verzoekster en Z voorafgaand aan de te beoordelen periode kinderen zijn geboren. Dit betekent dat voor de beantwoording van de vraag of verzoekster en Z in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd slechts bepalend is of zij in die periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad.

5.9.

Z stond in de te beoordelen periode ingeschreven op een ander adres dan verzoekster. Dit staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning, als maar aannemelijk is dat hetzelfde adres als hoofdverblijf van beiden fungeert. Het hoofdverblijf van iemand ligt daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven ligt. Het antwoord op de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De aard van de relatie van betrokkenen en hun subjectieve beleving blijven voor de toepassing van de PW buiten beschouwing.

5.10.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat Z in de te beoordelen periode sliep op adres Y en dat hij van de resterende uren het overgrote deel van de tijd doorbracht in zijn restaurant. De voorzieningenrechter van de Raad komt tot het voorlopige oordeel dat de onderzoeksbevindingen, zoals neergelegd in het rapport van 17 januari 2017, onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat Z in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het adres X. Zo hebben verzoekster en Z, afzonderlijk van elkaar, verklaard dat Z niet alleen slaapt, maar ook doucht en ontbijt op adres Y en dat Z alleen om de dag tussen 12.00 uur en 14.00 uur zijn kinderen bezoekt op adres X, en dat hij de meeste tijd doorbrengt in zijn restaurant en daar ook zijn overige maaltijden nuttigt. De verrichte waarnemingen geven geen aanleiding om aan deze verklaringen te twijfelen. De auto van Z is slechts éénmaal, op 12 december 2016 rond 23.00 uur, waargenomen in de omgeving van adres X. Dit stemt overeen met de afgelegde verklaringen dat Z zijn oudste zoon op maandag en woensdag uit school meeneemt naar zijn restaurant en hem daarna weer thuisbrengt. Bovendien stond dezelfde auto de volgende ochtend geparkeerd in de omgeving van adres Y. Daarnaast is tijdens het op 19 december 2016 in de omgeving van adres X verrichte buurtonderzoek door buren verklaard dat Z daar al een tijdje niet meer is gezien. Op 12 januari 2017 is Z ’s morgens op adres Y aangetroffen. Verder zijn de bevindingen van het huisbezoek beperkt. De in één van de twee koffers aangetroffen herenkleding was veel te groot voor Z. Verzoekster heeft verklaard dat deze kleding dateerde uit de tijd voordat Z aanzienlijk was afgevallen. De aangetroffen correspondentie, met uitzondering van de tijdens het huisbezoek bezorgde brief van Nationale Nederlanden, dateerde uit de tijd dat Z nog stond ingeschreven op adres X. Er zijn verder geen persoonlijke (verzorgings-)spullen noch administratie op naam van Z aangetroffen. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat Z het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven op het adres X had.

5.10.2.

Aan de bevindingen van het onlangs ingestelde onderzoek van het college, zoals neergelegd in het Rapport handhaving van 8 mei 2020, kan – wat daarvan zij – geen betekenis voor dit geschil worden toegekend aangezien dit onderzoek niet ziet op de te beoordelen periode. Het betoog van het college dat verzoekster en Z uitsluitend hun feitelijk leven zo hebben ingericht om te bereiken dat verzoekster recht op bijstand heeft en Z met de opbrengsten van zijn bedrijf zijn schulden kan aflossen, leidt niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat Z met de opbrengsten van zijn bedrijf zijn schulden kan aflossen zegt immers niks over zijn feitelijke woon- en leefsituatie en waar hij het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven had. Dat het college dit een ongewenste situatie vindt, maakt dat niet anders. In dit verband is ter zitting aan het college voorgehouden de mogelijkheid om gelet op de alimentatieverplichtingen van Z jegens zijn ex-echtgenote en kinderen, de kosten van bijstand op Z te verhalen met toepassing van de artikelen 61 en volgende van de PW

5.11.

Uit 5.10 volgt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat geen toereikende feitelijke grondslag bestaat voor het oordeel dat verzoekster en Z in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden.

5.12.

Het college heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door te bepalen dat aan verzoekster met ingang van

18 november 2016 bijstand moet worden toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Indien het hoger beroep niet slaagt voor wat betreft de grondslag dat Z zijn hoofdverblijf had op adres X, dient eerst nog een onderzoek naar de inkomens- en vermogenssituatie van verzoekster plaats te vinden voordat het recht op bijstand kan worden vastgesteld. De rechtbank had het college opdracht moeten geven om een nieuw besluit te nemen.

5.13.

Aangezien de inkomens- en vermogenssituatie relevant is voor de beoordeling van de vraag of verzoekster recht heeft op bijstand en dit voorafgaande aan en in de procedure in eerste aanleg niet is bezien, betekent dit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat de aangevallen uitspraak naar verwachting geen stand zal houden voor zover de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien. Te verwachten is dus dat het college als uitkomst van de bodemprocedure zal worden opgedragen opnieuw op de aanvraag te beslissen. Het college is tot op heden nog niet overgegaan tot het instellen van een nader onderzoek naar het recht op bijstand in de te beoordelen periode. Ter zitting is met partijen besproken dat het het college vrijstaat dit onderzoek nu alsnog te doen en dat de uitkomsten daarvan, bijvoorbeeld neergelegd in een besluit, dan met het oog op finale geschillenbeslechting meegenomen kunnen worden in het bodemgeschil.

5.14.

De voorzieningenrechter verwacht dus dat verzoekster zal gaan verkeren in de situatie dat nog niet op haar aanvraag van 18 november 2016 is beslist en dat in beginsel recht bestaat op een voorschot met toepassing van artikel 52 van de PW. Gelet op de actuele zorgelijke financiële situatie waarin verzoekster zich bevindt en nu niet is gebleken dat verzoekster op dit moment beschikt of kan gaan beschikken over voldoende inkomen of vermogen om te voorzien in de eerste levensbehoeften van haar en haar kinderen, bepaalt de voorzieningenrechter bij wege van voorlopige voorziening dat het college aan verzoekster met ingang van 1 april 2020 (de eerste dag van de maand waarin het verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan) een voorschot verleent ter hoogte van 50% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder tot de dag waarop op het hoger beroep van het college uitspraak wordt gedaan. Bij deze beslissing betrekt de voorzieningenrechter de overweging dat het bodemgeschil naar verwachting in de komende maanden tot een einde zal komen en dat het financiële risico voor het college, dat het voorschot niet terugbetaald kan krijgen indien het college gelijk krijgt in de bodemprocedure, in zoverre beperkt blijft. Verder bestaat in het gegeven dat verzoekster langdurig in haar levensonderhoud heeft voorzien zonder regulier inkomen aanleiding om niet bij wijze van voorschot de gehele toepasselijke norm of 90% daarvan toe te kennen. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat haar mogelijkheden om zonder regulier inkomen in haar levensonderhoud te voorzien geheel zijn verdwenen.

6. De voorzieningenrechter ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep:

  • -

    wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe;

  • -

    bepaalt dat het college met ingang van 1 april 2020 aan verzoekster bijstand verleent ter hoogte van 50% van de norm voor een alleenstaande ouder tot de datum waarop op het hoger beroep van het college uitspraak wordt gedaan;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.050,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 131,- vergoedt.

- Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van T. Ali als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2020.

(getekend) O.L.H.W.I Korte

(getekend) T.Ali