Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1225

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
15-06-2020
Zaaknummer
18/3130 AOW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Svb om voor betrokkene een regularisatieovereenkomst met Luxemburg te sluiten voor het jaar 2011. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, het beroep gegrond verklaard. De Svb heeft het hoger beroep ingetrokken. De op 28 februari 2017 ontvangen ingebrekestelling is ingediend voordat de termijn waarop de Svb diende te beslissen, was verstreken. De Svb is geen dwangsom verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/3130 AOW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 mei 2018, 17/4780 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 5 juni 2020

Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum

Griffier: E.D. de Jong

Ter zitting zijn verschenen namens appellant mr. J.H. Weermeijer en namens de Svb mr. A.P. van den Berg, mr. A. Marijnissen en mr. A. van der Weerd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. De Svb heeft geweigerd voor betrokkene een regularisatieovereenkomst met Luxemburg te sluiten op grond van artikel 16 van Verordening (EG) nr. 883/2004 voor het jaar 2011. Gedurende de bezwaarprocedure heeft mr. Weermeijer, met een fax van 28 februari 2017, de Svb in gebreke gesteld.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, het beroep gegrond verklaard. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat de Svb alsnog dient te beoordelen of er aanleiding bestaat een dwangsom toe te kennen.

3.1.

De Svb heeft, met een brief van 27 februari 2020, het hoger beroep ingetrokken. Gezien het bepaalde in artikel 4:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt dit geding nu uitsluitend voortgezet over de vraag of de Svb aan betrokkene een dwangsom verschuldigd is.

3.2.

In een besluit van 7 juni 2018 heeft de Svb aan betrokkene laten weten geen dwangsom verschuldigd te zijn, omdat prematuur een ingebrekestelling is verzonden. Betrokkene meent, in reactie hierop, dat de ingebrekestelling niet prematuur is geweest.

4. Het besluit waartegen appellant bezwaar heeft gemaakt is van 7 november 2016. Gelet op artikel 52 van de Algemene Ouderdomswet, dient de Svb te beslissen binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Hieruit volgt dat de Svb uiterlijk 20 maart 2017 diende te beslissen op het ingediende bezwaar. De op 28 februari 2017 ontvangen ingebrekestelling is ingediend voordat deze termijn was verstreken. Deze ingebrekestelling heeft geen betekenis meer voor het vervolg van de procedure. Zoals de Raad meerdere malen heeft overwogen, kan uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen worden afgeleid dat van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb slechts sprake is als deze plaatsvindt nadat de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar is verstreken. De Raad wijst op zijn uitspraak van 15 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1459. Nu betrokkene de Svb niet opnieuw in gebreke heeft gesteld na het verstrijken van de beslistermijn, is de Svb hem geen dwangsom verschuldigd.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) E.D. de Jong (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum