Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1214

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
15-06-2020
Zaaknummer
18/2114 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de conclusie van het Uwv dat met ingang van 3 april 2017 niet alsnog recht op een WIA-uitkering is ontstaan als gevolg van toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak, zorgvuldig en afdoende is onderbouwd. De rechtbank wordt eveneens gevolgd in wat is overwogen over de medische beoordeling per 16 mei 2017, de datum waarop het ziekengeld is beëindigd. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Er bestaat geen medische indicatie om extra beperkingen aan te nemen. Met de rechtbank wordt ook geoordeeld dat het Uwv voldoende gemotiveerd heeft dat appellant op 16 mei 2017 in staat is een van de geselecteerde functies te verrichten. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, tast het oordeel van de rechtbank niet aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2114 ZW, 18/2115 WIA

Datum uitspraak: 11 juni 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2018, 17/5312 en 17/5314 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H. Klijnstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als [functie] in het postsorteercentrum bij [bedrijf] voor 36 uur per week. Hij heeft zich op 20 augustus 2014 ziek gemeld. Het dienstverband is in 2016 geëindigd. Het Uwv heeft na afloop van de voorgeschreven wachttijd bij besluit van 26 januari 2017 geweigerd aan appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen omdat appellant per 6 januari 2017 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant werd met zijn beperkingen in staat geacht de functies van productiemedewerker, wikkelaar en administratief medewerker te vervullen. Het Uwv heeft aan appellant met ingang van 6 januari 2017 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend.

1.2.

Appellant heeft zich vervolgens op 3 april 2017 ziek gemeld. Aan appellant is ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 16 mei 2017 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 16 mei 2017 geschikt geacht voor de geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 17 mei 2017 vastgesteld dat appellant per 16 mei 2017 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de ZW. Bij besluit van 22 mei 2017 heeft het Uwv daarnaast vastgesteld dat appellant met ingang van 3 april 2017 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat appellant niet toegenomen arbeidsongeschikt is.

1.3.

De bezwaren van appellant tegen de besluiten van 17 mei 2017 en 22 mei 2017 heeft het Uwv bij afzonderlijke besluiten van 7 augustus 2017 (bestreden besluit I en II) ongegrond verklaard. Aan de bestreden besluiten liggen een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 juli 2017 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 3 augustus 2017 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft extra beperkingen vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft opnieuw functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen bezwaar en beroep gemotiveerd uiteen hebben gezet waarom er geen verdergaande urenbeperking wordt aangenomen. De door appellant genoemde nachtmerries en angsten zijn in de beoordeling meegenomen. De rechtbank heeft mede in aanmerking genomen dat een objectieve medische onderbouwing voor de stelling van appellant dat hij wel aan (één van) de criteria voor een (verdergaande) urenbeperking voldoet, ontbreekt. De rechtbank heeft overwogen dat in de FML van 31 juli 2017 voldoende rekening is gehouden met de lichamelijke en psychische klachten van appellant en dat appellant geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd of anderszins heeft aangetoond dat hij zwaarder beperkt is. De rechtbank heeft verder overwogen dat de belastbaarheid van appellant in de pen- en pincetgreep, anders dan appellant meent, niet wordt overschreden. In de geselecteerde functies komen slechts lichte handelingen voor. Daarnaast worden in de functie van administratief medewerker geen bijzondere eisen gesteld aan de beheersing van de Nederlandse taal. De bestreden besluiten berusten dus op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant in essentie dezelfde gronden aangevoerd als hij in beroep heeft aangevoerd. Hij stelt zich op het standpunt dat het psychisch onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest en dat hij zwaarder beperkt is door zijn PTSS-klachten dan het Uwv heeft aangenomen. Zo heeft het Uwv volgens appellant ten onrechte geen (verdere) urenbeperking aangenomen en niet getoetst aan de Standaard duurbelasting in arbeid. Appellant stelt zich daarnaast op het standpunt dat hij niet in staat is de pincetgreep uit te voeren en hij beheerst de Nederlandse taal onvoldoende om de functie van administratief medewerker te kunnen uitoefenen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid

4.1.

Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA bepaalt dat indien op de eerste dag na afloop van de wachttijd geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, alsnog recht op die uitkering ontstaat met ingang van de dag dat de verzekerde wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Op grond van het derde lid van dit artikel kan dit recht niet later ingaan dan vijf jaar na de eerste dag na afloop van de wachttijd.

4.1.1.

De vraag of sprake is van toegenomen beperkingen gaat vooraf aan de vraag waardoor deze worden veroorzaakt. Voor het antwoord op de vraag of de beperkingen van appellant op 3 april 2017 zijn toegenomen moeten de beperkingen worden vergeleken met de per einde wachttijd vastgestelde beperkingen. Als sprake is van toegenomen beperkingen, komt de vraag aan de orde of deze voortvloeien uit een andere oorzaak.

4.1.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de conclusie van het Uwv dat met ingang van 3 april 2017 niet alsnog recht op een WIA-uitkering is ontstaan als gevolg van toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak, zorgvuldig en afdoende is onderbouwd.

4.1.3.

Het medisch onderzoek heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Een verzekeringsarts heeft appellant gezien op het spreekuur en psychisch en lichamelijk onderzocht. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant gezien op de hoorzitting en eveneens psychisch en lichamelijk onderzoek verricht. Alle door appellant naar voren gebrachte klachten, de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsartsen en de door appellant ingediende informatie van de behandelend sector zijn op deugdelijke en kenbare wijze betrokken in de beoordeling.

4.1.4.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep zoals neergelegd in de rapporten van 16 mei 2017 en 31 juli 2017. In het rapport van 16 mei 2017 heeft de verzekeringsarts van het Uwv te kennen gegeven dat de medische situatie gelet op de bekende aandoeningen op 3 april 2017 onveranderd is ten opzichte van 6 januari 2017. Er zijn nieuwe klachten maar deze geven geen toegenomen invalidering gelet op de eerder opgestelde FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de medische problematiek niet adequaat is weergegeven in de FML en heeft daartoe de FML aangepast. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medische indicatie om extra beperkingen aan te nemen omdat geen sprake is van een aantoonbare pathologie die met energieverlies gepaard gaat. Evenmin is sprake van beschikbaarheidshinder in verband met een intensieve therapie. Het is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet medisch geïndiceerd dat appellant de hele dag in bed ligt.

4.1.5.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 22 januari 2018 overtuigend gemotiveerd dat voor de functie van administratief medewerker (medewerker DIV) geen bijzondere eisen aan de beheersing van de Nederlandse taal worden gesteld. Deze functie verschilt op relevante punten van het eigen werk van appellant.

De beëindiging van het ziekengeld

4.2.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.1.

Zoals volgt uit 4.1.3 wordt met de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek door de betrokken verzekeringsartsen op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Wat appellant in de (hoger)beroepsgronden aan klachten heeft vermeld, stemt overeen met de klachten die de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 31 juli 2017 kenbaar in de afweging heeft betrokken.

4.2.2.

De rechtbank wordt eveneens gevolgd in wat is overwogen over de medische beoordeling per 16 mei 2017, de datum waarop het ziekengeld is beëindigd. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, zoals volgt uit 4.1.4, overtuigend toegelicht dat geen medische indicatie bestaat om extra beperkingen aan te nemen. Met de rechtbank wordt ook geoordeeld dat het Uwv voldoende gemotiveerd heeft dat appellant op 16 mei 2017 in staat is een van de geselecteerde functies te verrichten.

4.3.

Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, tast het oordeel van de rechtbank niet aan. Omdat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de beschouwingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, is een nader deskundigenonderzoek niet aan de orde. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.

4.4.

Uit 4.1.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van E. Diele als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2020.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) E. Diele