Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1201

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2020
Datum publicatie
11-06-2020
Zaaknummer
17/5102 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-vervolguitkering terecht verlaagd en gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. De motivering door de verzekeringsarts is inzichtelijk en de rapporten van De Landelijke Expertisebalie geven onvoldoende twijfel aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts dat op de datum in geding geen sprake was van toegenomen beperkingen. Daarbij is van belang dat in de FML in verband met de psychische en lichamelijke klachten van appellante beperkingen zijn opgenomen voor stressvolle werksituaties, gevaarlijke taken en zware fysieke belasting, alsmede een urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5102 WIA

Datum uitspraak: 10 juni 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 2017, 17/643 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. Chr. Snijders, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2019. Namens appellante is

mr. Snijders verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

Vervolgens heeft de Raad besloten tot heropening van het onderzoek.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv nader gerapporteerd.

Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 1 februari 2011 uitgevallen voor haar werk als medewerkster kinderopvang voor 23,91 uur per week wegens psychische en fysieke klachten. Bij besluit van 6 december 2012 is zij met ingang van 29 januari 2013 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 62,54%. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 december 2012 is ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 30 mei 2013. Bij uitspraak van 18 maart 2014 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 27 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4223) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.2.

Aansluitend op het einde van de loongerelateerde periode is appellante met ingang van 29 mei 2015 in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering op basis van de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%.

1.3.

In 2016 heeft een herbeoordeling plaatsgevonden van het recht op een WIA-uitkering. Hiertoe heeft een verzekeringsarts medisch onderzoek verricht bij appellante op 15 juni 2016. De verzekeringsarts heeft op 21 juli 2016 een rapport opgesteld en de medische beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidskundige heeft een rapport uitgebracht op 24 augustus 2016. Bij besluit van 1 september 2016 heeft het Uwv op basis van deze rapporten vastgesteld dat appellante met ingang van 15 juni 2016 40,57% arbeidsongeschikt is en dat de WGA-vervolguitkering daarom met ingang van 1 december 2016 verlaagd wordt en gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 27 december 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 1 september 2016 ongegrond verklaard, onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medische onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig en juist is geweest. Het door appellante in beroep ingediende expertiserapport van de Landelijke Expertisebalie van 31 mei 2017 leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu uit dit rapport niet blijkt dat de medisch rapporteur expliciet onderzoek heeft verricht bij appellante in persoon en het Uwv ter zitting heeft toegelicht dat de relevante verzekeringsgeneeskundige protocollen in acht zijn genomen door de verzekeringsartsen. Verder is de rechtbank van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende heeft toegelicht dat de geselecteerde functies de bij de FML van 21 juli 2016 vastgestelde belastbaarheid van appellante niet overschrijden. Het door de arbeidskundige van de Landelijke Expertisebalie ingenomen standpunt doet hieraan niet af, nu deze uitgaat van een andere belastbaarheid van appellante die niet is gevolgd door de rechtbank.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is geweest van onzorgvuldig onderzoek en een gebrekkige motivering. Het medische onderzoek in bezwaar is te beperkt geweest omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alleen lichamelijk onderzoek heeft verricht naar appellantes beenklachten en de overige klachten slechts heeft aangehoord. Daarom is het onderzoek in bezwaar onzorgvuldig geweest, temeer omdat appellante naar voren heeft gebracht dat haar klachten in de loop der tijd aanzienlijk zijn verergerd. De rechtbank is hier niet op ingegaan. De rechtbank heeft voorts ten onrechte geen doorslaggevende betekenis gehecht aan het ingebrachte expertiserapport. Appellante heeft een nader rapport ingediend van De Landelijke Expertisebalie van 11 april 2018, gebaseerd op de onderzoeksbevindingen van verzekeringsarts A.A. Schuler die appellante tijdens het spreekuur op 11 april 2018 medisch heeft onderzocht. Deze heeft meer beperkingen bij appellante aangenomen dan de verzekeringsartsen van het Uwv en zijn conclusies moeten daarom gevolgd worden. Verder heeft appellante gewezen op het belang van de verzekeringsgeneeskundige protocollen die volgens appellante niet zijn toegepast door de verzekeringsartsen van het Uwv. Uit de contra-expertise blijkt ten slotte dat ook het arbeidskundig onderzoek door het Uwv tekortkomingen vertoont.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn grotendeels een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft alle beroepsgronden besproken en daarover een goed gemotiveerd oordeel gegeven. De overwegingen van de rechtbank worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.2.

In reactie op het in hoger beroep ingediende rapport van De Landelijke Expertisebalie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep er in zijn rapport van 22 maart 2019 op gewezen dat de medische beoordeling gaat om de vraag of zich in appellantes medische situatie dan wel belastbaarheid wijzigingen hebben voorgedaan ten opzichte van de eerdere beoordelingen sinds 2012, welke beoordeling is bevestigd door de Raad. Uit de eerdere rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat dit niet het geval was op zowel psychisch als lichamelijk gebied. Dit standpunt kan worden gevolgd. De motivering door de verzekeringsarts is inzichtelijk en de rapporten van De Landelijke Expertisebalie geven onvoldoende twijfel aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat op de datum in geding geen sprake was van toegenomen beperkingen. Daarbij is van belang dat in de FML van 21 juli 2016 in verband met de psychische en lichamelijke klachten van appellante beperkingen zijn opgenomen voor stressvolle werksituaties, gevaarlijke taken en zware fysieke belasting, alsmede een urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week.

4.3.

De overwegingen in 4.1 en 4.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2020.

(getekend) E. Dijt

(getekend) P. Boer