Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1185

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
15-06-2020
Zaaknummer
19/1211 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag om bijstand. Hoofdverblijf verplaatst naar dat van ex-vrouw. Geen vooropgezet tijdelijk verblijf in verband met medisch herstel. Verblijf van zeven maanden is geen kort verblijf. Medische situatie is niet onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2020/182
JWWB 2020/182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1211 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 4 februari 2019, 18/3026 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Groningen (college)

Datum uitspraak: 9 juni 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.T. Van Dalen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 13 december 2017 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW). Bij zijn aanvraag heeft hij opgegeven dat hij verblijft op adres A te [gemeente] (opgegeven adres).

1.2.

Het college heeft appellant bij brieven van 20 december 2017, 4 januari 2018 en 17 januari 2018 verzocht nadere gegevens in te leveren. Twee medewerkers van het Bedrijf voor Werk, Re-integratie en Inkomen van de gemeente Midden-Groningen (BWRI) hebben op 15 maart 2018 een huisbezoek afgelegd aan de woning op het opgegeven adres. Appellant heeft tijdens dat gesprek verklaard dat hij van het adres van zijn ex-vrouw kwam en dat hij sinds november 2017 bij haar verblijft in verband met zijn ziekte. Appellant heeft dat herhaald tijdens een gesprek met medewerkers van BWRI op 22 maart 2018. Hij heeft toen verklaard dat hij bij zijn ex-vrouw verblijft omdat hij de trap op het opgegeven adres niet meer op komt en het op het opgegeven adres niet hygiënisch is. Op de vraag sinds wanneer hij bij zijn ex‑vrouw verblijft, heeft appellant geantwoord: “Sinds november 2017 verblijf ik bij mijn ex‑partner, Ik kreeg namelijk te horen dat ik zou overlijden en wilde dus ook bij mijn dochters verblijven.”

1.3.

Het college heeft bij besluit van 23 maart 2018, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 augustus 2018 (bestreden besluit), de aanvraag van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden over zijn woonadres. Hij verblijft feitelijk niet op het opgegeven adres. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat het college op het moment van beslissen beschikte over de relevante gegevens over de verblijfplaats van appellant. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank zijn hoofdverblijf voorafgaand aan de aanvraag verplaatst naar het adres van zijn ex-vrouw. Omdat appellant heeft aangegeven dat hij niet met zijn ex-vrouw een aanvraag om bijstand wil indienen, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag of appellant in de periode van de aanvraag tot en met het besluit op de aanvraag (de te beoordelen periode) woonachtig was op het opgegeven adres. Het komt erop neer dat appellant stelt dat hij in de te beoordelen periode feitelijk wel verbleef op het adres van zijn ex-vrouw, maar dat dit slechts verband hield met zijn medische situatie. Vanaf het begin was duidelijk dat het verblijf van appellant bij zijn ex‑vrouw een tijdelijk karakter zou hebben. Uiteindelijk heeft appellant een half jaar op het adres van zijn ex-vrouw verbleven. Gelet op de ernst van de medische situatie van appellant en de lange herstelperiode, was sprake van een verblijf van korte duur. Appellant had zijn feitelijke woonadres niet verplaatst.

4.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Omdat sprake is van een aanvraag om bijstand ligt de bewijslast om aannemelijk te maken dat appellant in de te beoordelen periode woonachtig was op het opgegeven adres, bij appellant.

4.3.1.

Appellant verbleef in de te beoordelen periode op het adres van zijn ex-vrouw en niet op het door hem opgegeven adres. Zoals de Raad eerder tot uitdrukking heeft gebracht in bijvoorbeeld de uitspraken van 26 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2320 en van 23 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:584, is geen sprake van een verplaatsing van het feitelijke woonadres, indien het gaat om een wijziging van de woon- en verblijfsituatie met een vooropgezet tijdelijk karakter, deze wijziging van korte duur is geweest en verband houdt met het tijdelijk niet of niet goed kunnen bewonen van de eigen woning, er geen aanwijzingen zijn dat de betrokkene zich in die periode elders heeft gevestigd en de betrokkene – na die korte periode – in zijn woning terugkeert.

4.3.2.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij met het verblijf op het adres van zijn ex-vrouw, niet ook zijn feitelijke woonadres heeft verplaatst en in de te beoordelen periode woonachtig was op het opgegeven adres. De volgende feiten en omstandigheden zijn daarbij van belang. Uit de stukken blijkt niet dat de medische situatie van appellant tot gevolg had dat hij de woning op het opgegeven adres niet of niet goed kon bewonen. Tijdens het gesprek op 22 maart 2018 heeft appellant onder andere verklaard dat hij te horen had gekregen dat hij zou overlijden en bij zijn dochters wilde verblijven. Dat duidt niet op het niet kunnen bewonen van de eigen woning en ook niet op een vooropgezet kort verblijf in verband met zijn herstel, zoals appellant stelt, om vervolgens terug te keren naar de eigen woning. Dat geen sprake is van een verblijf met een vooropgezet tijdelijk karakter, vindt ook steun in de bankafschriften van appellant. Bij de stukken bevinden zich afschriften over de periode van 16 oktober 2017 tot en met 18 december 2017. Al die afschriften werden gezonden aan het adres van de ex‑vrouw. Dit was dus al het geval voorafgaand aan de maand met ingang waarvan appellant bij zijn ex-vrouw zou hebben verbleven. Tot slot is van belang dat het verblijf in de woning van de ex-vrouw niet van korte duur is geweest. Appellant heeft daar – zo is niet in geschil – van november 2017 tot omstreeks 1 juni 2018 verbleven. Dat is een periode van zeven maanden. Dat is niet van korte duur. Appellant stelt weliswaar dat de duur van het verblijf moet worden bezien in het licht van de ernst van de medische situatie, maar hij heeft zijn medische situatie niet onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2020.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) R.B.E. van Nimwegen