Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1179

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2020
Datum publicatie
10-06-2020
Zaaknummer
17/8216 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een Wajong-uitkering. Er is geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de inzichtelijk gemotiveerde conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft, na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, in zijn rapporten van 24 oktober 2019 en 23 januari 2020, inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellant in de geselecteerde functies niet wordt overschreden. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 8216 WAJONG

Datum uitspraak: 4 juni 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 november 2017, 15/4308 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 2 oktober 2019 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2019:3141, gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv de weigering appellant in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering gehandhaafd, onder wijziging van de motivering. Bij brief van 24 december 2019 heeft appellant zijn zienswijze naar voren gebracht. Het Uwv heeft hierop bij brief van 27 januari 2020 gereageerd.

Appellant heeft op 27 maart 2020 verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij volstaat met het volgende. Het Uwv heeft bij besluit van 24 november 2004, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 12 april 2005, afwijzend beslist op een aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), omdat bij appellant geen sprake is van een duidelijke stoornis of gebrek. Appellant heeft geen beroep ingesteld tegen dit besluit. Op 9 september 2014 heeft appellant opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 20 januari 2015, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 2 juni 2015 (bestreden besluit), heeft het Uwv afwijzend beslist op deze aanvraag omdat onvoldoende (medische) informatie beschikbaar is om concreet en specifiek vast te kunnen stellen welke arbeidsbeperkingen aan de orde waren op de zeventiende en achttiende verjaardag van appellant. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten.

1.2.

Bij de tussenuitspraak heeft de Raad vastgesteld dat niet langer ter discussie staat dat bij appellant op zijn zeventiende en achttiende verjaardag sprake was van autisme. Onder de gedingstukken bevindt zich een groot aantal rapporten van (para)medische aard waarin opsommingen zijn gegeven van de klachten en beperkingen van appellant ten tijde in geding. Gelet op deze informatie kon het Uwv ter afwijzing van de aanvraag niet volstaan met de motivering dat de beperkingen en de eventuele (mate van) arbeidsongeschiktheid niet meer zijn vast te stellen. Het Uwv diende daarom alsnog een aanvullende deugdelijk beargumenteerde en onderbouwde beoordeling van de aanvraag te verrichten waarbij een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zou worden opgesteld en zonodig een arbeidskundig onderzoek zou worden verricht. Het Uwv werd opgedragen het gebrek in het bestreden besluit van 2 juni 2015 te herstellen.

1.3.

Het Uwv heeft ter uitvoering van deze uitspraak een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, uitgaande van een ontwikkelingsstoornis (autisme spectrum stoornis) op de zeventiende en achttiende verjaardag van appellant, een FML vastgesteld die geldig is vanaf 1 maart 1994. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep functies geselecteerd en vastgesteld dat appellant met voor hem geschikte functies per 1 maart 1995 in staat was meer dan 75% van zijn maatmaninkomen te verdienen. Het Uwv heeft de afwijzing van de aanvraag van appellant daarmee gebaseerd op de gewijzigde motivering dat appellant volgens de criteria van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering. In de reactie van appellant op deze gewijzigde motivering heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien de FML aan te passen met een beperking als gevolg van astma. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens geconcludeerd dat de geselecteerde functies onverminderd passend zijn voor appellant.

1.4.

Appellant heeft aangevoerd dat hij zich meer beperkt acht dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen. Er is bij appellant sprake van dwanghandelingen, achterstand in emotionele ontwikkeling, gedragsproblemen, eenzaamheid, agressie, schofterig gedrag tegen zijn naasten, vermijden van oogcontact, weinig non-verbale communicatie en mimiek, moeite met het begrijpen van anderen, miscommunicatie en het niet begrijpen van incidenten en het niet kunnen organiseren van taken. Gelet op zijn beperkingen acht appellant zich niet in staat de geselecteerde functies te verrichten. Hij heeft gewezen op zijn arbeidsverleden dat steeds bestond uit kortstondige baantjes dan wel zogeheten “witte raven banen”. Zijn opleidingsniveau is ten onrechte op drie gesteld. Verder heeft het Uwv bij de functieselectie ten onrechte het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) gebruikt.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Met de rapporten van 16 oktober 2019 en 22 januari 2020 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 oktober 2019 en 23 januari 2020 heeft het Uwv het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aan de hand van de beschikbare medische informatie, waaronder met name de psychodiagnostische onderzoeken uit 2002 en 2008, de beperkingen van appellant op diens zeventiende en achttiende verjaardag inzichtelijk en consistent beschreven. Appellant is beperkt geacht voor werk waarbij hij kan worden afgeleid door activiteiten van anderen. Hij is aangewezen op een gestructureerde werkomgeving met een afgebakend takenpakket, werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en zonder hoog handelingstempo bij meer complexe taken. Appellant kan voorts een conflict met agressieve of onredelijke mensen niet face to face en niet telefonisch hanteren. Hij kan wel met anderen werken mits met een eigen, van te voren afgebakende deeltaak. Verder is appellant aangewezen op werk waarin meestal weinig of geen direct contact is met patiënten of hulpbehoevenden. Het werk dient geen leidinggevende aspecten te bevatten. Ten slotte is appellant beperkt geacht voor een drukke, hectische werkomgeving met veel prikkels of mensen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 16 oktober 2019 en 22 januari 2020 gemotiveerd toegelicht waarom appellant niet gevolgd kan worden in zijn standpunt dat hij verdergaand beperkt moet worden geacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangegeven dat hij is uitgegaan van de klachten en beperkingen die, retrospectief oordelend, gelet op de voorhanden zijnde medische stukken aannemelijk en voldoende plausibel worden geacht. Er is geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de inzichtelijk gemotiveerde conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

2.2.

Over de arbeidskundige grondslag van de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid heeft de Raad eerder overwogen (ECLI:NL:CRVB:2014:2293) dat een functieselectie problematisch kan zijn bij een beoordeling die ziet op een al lang verstreken datum. Als dit het gevolg is van een zeer late aanvraag, dan kan het aan het Uwv niet aangerekend worden dat de gebruikelijke zorgvuldigheid niet kan worden gehandhaafd bij de functieselectie en ligt het in de risicosfeer van de aanvrager dat exacte gegevens over functies in een ver verleden niet meer traceerbaar zijn. Een zodanige situatie is in dit geval aan de orde omdat appellant ruim 20 jaar na zijn zeventiende verjaardag een nieuwe aanvraag om een Wajong-uitkering heeft ingediend. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 24 oktober 2019 toereikend gemotiveerd en voldoende aannemelijk gemaakt dat de aan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag gelegde functies

– of soortgelijke functies – ook op en rond de achttiende verjaardag van appellant algemeen op de arbeidsmarkt voorkwamen.

2.3.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft, na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, in zijn rapporten van 24 oktober 2019 en 23 januari 2020, inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellant in de geselecteerde functies niet wordt overschreden. Niet is gebleken dat het opleidingsniveau van appellant ten onrechte op 3 is vastgesteld, nu appellant het VBO met een diploma heeft afgerond. De conclusie dat appellant ten tijde van belang in staat moet worden geacht meer dan 75% van het wettelijk minimumloon te verdienen en de aanvraag om Wajong-uitkering om die reden dient te worden afgewezen, wordt onderschreven.

2.4.

Het Uwv heeft zijn standpunt, dat appellant niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering, pas in hoger beroep voldoende gemotiveerd. Dit brengt mee dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit op zichzelf terecht, maar op onjuiste gronden, in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak moet daarom in zoverre – met verbetering van gronden – worden bevestigd.

2.5.

De beroepsgrond van appellant, dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte het indienen van het beroepschrift (1 punt) en het verschijnen ter nadere zitting anders dan na tussenuitspraak (0,5 punt) niet in de proceskostenveroordeling heeft betrokken, slaagt. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op de veroordeling in de proceskosten, voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal de proceskostenveroordeling in beroep alsnog vaststellen op € 1.575,- (beroepschrift 1 punt, zitting 1 punt, nadere zitting anders dan na tussenuitspraak 0,5 punt en schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus 0,5 punt met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

2.6.

Omdat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, is voor de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente geen plaats.

3.1.

Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM wordt gewezen op de uitspraken van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009) en 7 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2978.

3.2.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 8 maart 2015 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn, naar boven afgerond, vijf jaar en drie maanden verstreken. De zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, en ook de opstelling van appellant geven geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met een jaar en drie maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van drie maal € 500,-, in totaal € 1.500,-.

3.3.

De overschrijding van de redelijke termijn wordt aan het Uwv toegerekend. Daartoe wordt overwogen dat de rechtbank het onderzoek ter zitting van 4 november 2015 heeft aangehouden teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Het Uwv heeft het bestreden besluit vervolgens gehandhaafd, onder wijziging van de motivering. Hierop heeft de rechtbank op 15 maart 2017 een tussenuitspraak gedaan en op 22 november 2017 einduitspraak. De Raad heeft op 2 oktober 2019 een tussenuitspraak gedaan. Gelet op deze omstandigheden en onder verwijzing naar de uitspraak van 7 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:809, wordt het Uwv daarom veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 1.500,-.

4. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.312,50 voor verleende rechtsbijstand (hoger beroepschrift 1 punt, zitting 1 punt en zienswijze na een bestuurlijke lus 0,5 punt). Voorts bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant voor het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens schending van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 262,50 voor verleende rechtsbijstand (verzoekschrift 1 punt met een wegingsfactor van 0,5). In totaal bedragen de te vergoeden proceskosten daarmee (€1.575,- + € 1.312,50 + € 262,50 =) € 3.150,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor wat betreft de proceskostenveroordeling;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag

van € 1.500,-;

- wijst het verzoek tot vergoeding van overige schade af;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.150,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 124,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2020.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) E.D. de Jong