Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1177

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
19/3967 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:6352, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 5 juni 2020

19/3967 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2019, 18/2970 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Bij brief van 11 oktober 2019 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 128,- is verschuldigd, en is meegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.

Bij aangetekende brief van 11 november 2019 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.

Bij brief van 2 december 2019 heeft appellant verzocht om vrijstelling van het griffierecht omdat hij niet in staat is het griffierecht te betalen. Appellant heeft een betaalspecificatie van 4 november 2019 overgelegd waaruit blijkt dat zijn netto inkomen € 983,31 bedraagt.

Bij brief van 11 december 2019 heeft de Raad appellant gewezen op de criteria die gelden voor het aannemen van “betalingsonmacht”.

Bij brief van 9 januari 2020 is het verzoek om het aannemen van betalingsonmacht afgewezen omdat het inkomen van appellant meer bedraagt dan 90% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Daarbij is appellant meegedeeld dat er (een nieuwe) herinnering griffierecht zal worden verstuurd waarin wordt verzocht het griffierecht binnen de op de herinnering gestelde termijn te betalen. Voorts is erop gewezen dat overschrijding van die termijn kan leiden tot

niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.

Bij aangetekende brief van 11 januari 2020 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.

Bij brief van 14 januari 2020 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn verzoek om vrijstelling. De Raad heeft appellant hierop bij brief van 20 januari 2020 meegedeeld dat de brief van 9 januari 2020 gehandhaafd blijft en verwezen naar de uitspraak van de Raad van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282.

Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.

Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2020.

(getekend) M. Greebe

(getekend) J.A. Achterberg

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

DS