Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1161

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
03-06-2020
Zaaknummer
16/3895 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. De deskundige is tot de conclusie gekomen dat appellante op 25 juni 2015 geschikt was voor haar eigen werk en deze conclusie en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen kunnen niet voor onjuist worden gehouden. Schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3895 ZW

Datum uitspraak: 2 juni 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 2 mei 2016, 15/6194 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J. van de Wiel, advocaat en kantoorgenoot van mr. Hest. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

Na de zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft M.M. Wolff-van der Ven, verzekeringsarts, benoemd als onafhankelijke deskundige voor het instellen van een onderzoek. Op 25 maart 2019 heeft deze deskundige een rapport uitgebracht.

Nadat partijen hun zienswijze op het rapport van de deskundige hadden gegeven, heeft de deskundige desgevraagd op 5 september 2019 een reactie gegeven op de zienswijze van appellante.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter, heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als informatiespecialist voor 40 uur per week. Nadat dit dienstverband was beëindigd, is aan appellante met ingang van 6 november 2010 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Vanuit die situatie heeft zij zich 17 juli 2014 ziek gemeld met hartklachten, waarna haar een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) is toegekend.

1.2.

Op 19 juni 2015 is appellante op het spreekuur van een verzekeringsarts onderzocht. Deze arts heeft appellante per 25 juni 2015 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van informatiespecialist. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 19 juni 2015 de ZW-uitkering per 25 juni 2015 beëindigd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 18 september 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank bepalingen gegeven over proceskosten en vergoeding van griffierecht.

3.1.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard. Appellante heeft onder meer gesteld dat het Uwv de ernst en de frequentie van haar hartritmestoornissen heeft onderschat en dat zij als gevolg van deze hartritmestoornissen meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. De ernstige hartritmestoornissen zouden ook op het werk voorkomen. Tijdens een aanval en in de uren daarna was appellante uitgeschakeld.

3.2.

Het Uwv heeft in hoger beroep twee rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd en heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bepleit.

3.3.1.

Omdat twijfel bestond over de juistheid van de medische beoordeling van de klachten van appellante heeft de Raad het aangewezen geacht om zich te laten adviseren door een onafhankelijke deskundige. De deskundige Wolff-van der Ven is in haar rapport van 25 maart 2019 tot de conclusie gekomen dat er bij appellante op 25 juni 2015 sprake was van gesuppleerde hypothyreoïdie en status na oogoperaties in verband met orbitopathie in het kader van M. Graves. Tevens status na behandeld mammacarcinoom. Daarnaast was zij bekend met een matige aortaklepinsufficiëntie en waren er hartkloppingen waarbij aangenomen mag worden dat er op de datum in geding sprake was van AV-nodale re-entry tachycardiëen.

3.3.2.

Wat betreft de re-entry tachycardiëen is de deskundige er vanuit gegaan, overeenkomstig het gestelde in de brief van 20 augustus 2015 van de behandelend cardioloog J.L. Lammers, dat deze zich twee à drie keer per maand voordoen. Voorts heeft de deskundige vastgesteld dat het plotseling optreden van deze aanvallen en het tijdelijk niet kunnen functioneren er niet toe leidt dat appellante in het geheel geen benutbare mogelijkheden heeft tot het verrichten van arbeid. Wel dient rekening te worden gehouden met de plotseling optredende aanvallen. Appellante moet niet worden blootgesteld aan een situatie met een verhoogd persoonlijk risico en het moet mogelijk zijn dat zij haar werkzaamheden onderbreekt. De aanvallen zullen voorts aanleiding geven tot een verhoogd verzuim/productieverlies, maar, gelet op een frequentie van de aanvallen van twee à drie keer per maand, niet in die mate dat meer dan 25% van de werktijd verzuimd zal worden. Daarbij is in overweging genomen dat niet iedere aanval zich onder werktijd zal voordoen. De door de gemachtigde genoemde benodigde recuperatietijd van drie dagen per aanval is naar haar mening niet onderbouwd. Voorts dient wel rekening te worden gehouden met de energetische component van de aanvallen, waardoor zwaardere inspanning ook in arbeid niet passend wordt geacht. Er is echter geen medische indicatie voor strikte bedrust. Appellante is gebaat bij gedoseerd actief zijn en bij het zoveel mogelijk op peil houden van haar conditie. Een indicatie voor een urenbeperking wordt daarom, mits sprake is van een gedoseerde belasting, ook niet aan de orde geacht.

3.3.3.

De behandelingen in verband met het mammacarcinoom rechts en de armklachten rechts vormen volgens de deskundige eveneens een grond om zwaardere armbelasting rechts te beperken. Met name repeterend kracht zetten in arbeid, zwaar tillen, dragen, duwen en trekken wordt door de deskundige minder geschikt geacht.

3.3.4.

Wat betreft de oogklachten heeft de deskundige geen specifieke beperkingen geduid. Daartoe heeft de deskundige overwogen dat de visus met correctie goed is en dat de klachten van droge ogen behandelbaar zijn met druppels. Er is geen goede grond op basis van de beschikbare gegevens om appellante op grond van haar oogklachten te beperken voor bijvoorbeeld langdurig lezen of beeldschermwerken, zeker niet met de tegenwoordige beeldschermkwaliteit (ook in 2015).

3.3.5.

Wat betreft de belasting in het eigen werk heeft de deskundige overwogen dat dit overwegend zittend werk aan een computer is. In dit werk is geen sprake van een verhoogd persoonlijk risico en de computerwerkzaamheden kunnen, zo nodig, worden onderbroken. Voort is in dit werk geen sprake van zware fysieke belasting, ook niet wat betreft de rechterarm. De deskundige heeft uiteindelijk geconcludeerd dat appellante op 25 juni 2015, ondanks haar aanwezige beperkingen en het te verwachten verhoogde verzuim, geschikt moet worden geacht voor haar eigen werk.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige volgt als de door de deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich voor. De wijze waarop in het rapport is ingegaan op de verschillende klachten van appellante en de informatie uit de behandelend sector in de beoordeling is betrokken, geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en de verslaglegging daarvan is inzichtelijk en consistent. De deskundige is tot de conclusie gekomen dat appellante op 25 juni 2015 geschikt was voor haar eigen werk en deze conclusie en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen kunnen niet voor onjuist worden gehouden. De deskundige is in haar reactie van 5 september 2019 ingegaan op de zienswijze van appellante. Daarbij heeft zij gemotiveerd waarom zij geen eigen onderzoek heeft gedaan en geen nadere informatie bij de behandelaars van appellante heeft opgevraagd. Ook is zij ingegaan op de opmerking van appellante over de duur van de recuperatietijd. De Raad acht dit overtuigend. De brief van appellante zelf over het onderzoek door de deskundige leidt niet tot een andere conclusie. Dat appellante teleurgesteld is en vindt dat haar geen recht wordt gedaan is invoelbaar, maar niet doorslaggevend. Het voorgaande betekent dat het Uwv de ZW-uitkering terecht met ingang van 25 juni 2015 heeft beëindigd.

4.3.

De overwegingen in 4.1 en met 4.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.4.

Over het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, wordt als volgt overwogen.

4.5.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaren duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd.

4.6.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 23 juni 2015 van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim elf maanden verstreken. Noch de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch de opstelling van appellante geven aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim 11 maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-.

4.7.

De overschrijding van de redelijke termijn is geheel aan de bestuursrechter toe te schrijven, nu het Uwv binnen zes maanden na ontvangst van het bezwaarschrift het bestreden besluit van 18 september 2015 heeft genomen. De Raad zal daarom de Staat veroordelen tot betaling aan appellante van een schadevergoeding tot een bedrag € 1.000,-.

5. Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 262,50 (1 punt voor het verzoek met een wegingsfactor 0,5) voor verleende rechtsbijstand. Voor vergoeding van andere proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen

aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten

van appellante tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2020.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) A.L. Abdoellakhan