Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1157

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
08-06-2020
Zaaknummer
18/1909 NIOAW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:1214, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen IOAW op de grond dat appellant geen melding heeft gemaakt van zijn verkoopactiviteiten op rommelmarkten. Inkomsten uit verkoop op rommelmarkten worden in beginsel aangemerkt als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden zoals bedoeld in het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten in samenhang met de Wet op de Inkomstenbelasting 2001. Daarmee betreft het inkomen uit arbeid van een gerechtigde op IOAW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/289
NJB 2020/1571
USZ 2020/167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1909 NIOAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 2 juni 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 februari 2018, 17/5344 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.E. Bol, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om veroordeling tot vergoeding van schade.

Het college heeft antwoord gegeven op schriftelijke vragen van de Raad. Appellant heeft hierop gereageerd.

Partijen waren uitgenodigd voor een zitting op 7 april 2020. In verband met de uitbraak van het coronavirus kon deze zitting niet doorgaan. Partijen zijn daarover geïnformeerd. Omdat de overgelegde stukken in deze zaak naar het oordeel van de Raad voldoende inzicht bieden in de standpunten van partijen en partijen niet in hun belangen worden geschaad, heeft de Raad partijen voorgelegd of zij alsnog gebruik willen maken van het recht te worden gehoord dan wel daarvan afzien.

Appellant heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Het college heeft niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant en zijn echtgenote ontvangen sinds 6 oktober 2013 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) naar de grondslag voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant spullen verkoopt op rommelmarkten in Breda en via Marktplaats, hebben medewerkers van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Drimmelen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant en zijn echtgenote verstrekte uitkering. In dat kader hebben de medewerkers onder meer dossieronderzoek gedaan, advertenties van appellant op Marktplaats geraadpleegd, bij appellant bankafschriften opgevraagd en appellant en zijn echtgenote op 14 november 2016 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 november 2016. In het rapport is geconcludeerd dat appellant en zijn echtgenote in ieder geval vanaf 1 september 2015 de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de verkoop van spullen op markten en via Facebook en Marktplaats. Appellant en zijn echtgenote hebben geen administratie van de inkomsten bijgehouden. Ook hebben zij geen melding gemaakt van de financiële ondersteuning door de broer van appellant. Door de onduidelijke inkomens- en vermogenspositie is het recht op uitkering vanaf 1 september 2015 niet vast te stellen.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 1 december 2016 de uitkering met ingang van 1 september 2015 in te trekken en de over de periode van 1 september 2015 tot 1 november 2016 verleende uitkering tot een bedrag van € 20.873,17 van appellant en zijn echtgenote terug te vorderen. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant en zijn echtgenote de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van hun verkoopactiviteiten. Doordat zij geen administratie hebben bijgehouden van de verkochte artikelen en verkregen inkomsten is de omvang van de inkomsten niet controleerbaar. Aan de hand van de bankafschriften kan geen duidelijk beeld worden verkregen, omdat appellant en zijn echtgenote hebben verklaard dat betalingen niet alleen via de bank maar ook contant plaatsvonden. Daarnaast is de omvang van de financiële ondersteuning door de broer van appellant niet duidelijk. Het recht op uitkering is in ieder geval vanaf 1 september 2015 niet vast te stellen door een onduidelijke inkomens- en vermogenspositie.

1.4.

Bij besluit van 15 juni 2017 (bestreden besluit 1) heeft het college het hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 1 december 2016 herroepen en vervangen door het besluit de uitkering over de maanden augustus 2015, oktober 2015, januari 2016,

februari 2016, mei 2016, juni 2016, juli 2016, augustus 2016 en oktober 2016 in te trekken en de in deze maanden verleende uitkering tot een bedrag van € 13.848,42 van appellant en zijn echtgenote terug te vorderen. Het college heeft aan bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd dat de verkoop via Marktplaats en Facebook incidentele verkoop van privégoederen betrof die appellant niet behoefde te melden bij het college. Appellant behoefde bij het college ook geen melding te maken van de giften in natura van zijn broer, aangezien de giften geen inkomsten waren in de zin van artikel 8, eerste lid, van de IOAW. De verkoop op de rommelmarkten betrof geen incidentele verkoop. Appellant en zijn echtgenote hadden de deelname aan de rommelmarkten dus bij het college moeten melden. Omdat zij dat niet hebben gedaan, hebben zij de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Aangezien appellant niet beschikt over een controleerbare en verifieerbare administratie van de verkopen op de rommelmarkten, heeft het college niet kunnen nagaan wat de inkomsten waren en kon het recht op uitkering niet worden vastgesteld. Uit de bankafschriften heeft het college afgeleid dat appellant in de maanden augustus 2015, oktober 2015, januari 2016, februari 2016, mei 2016, juni 2016,

juli 2016, augustus 2016 en oktober 2016 op rommelmarkten heeft gestaan. Het college heeft de uitkering over deze negen maanden ingetrokken en teruggevorderd.

1.5.

Tegen bestreden besluit 1 heeft appellant beroep ingesteld. Bij besluit van 5 december 2017 (bestreden besluit 2) heeft het college bestreden besluit 1 in zoverre herzien dat de intrekking en terugvordering over de maand augustus 2015 komt te vervallen en dat het terugvorderingsbedrag wordt verlaagd tot € 12.453,63.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij brief van 4 juni 2019 heeft het college desgevraagd de grondslag van de bestreden besluiten nader toegelicht. Volgens het college is in de maanden waarover de uitkering is ingetrokken sprake van inkomen uit arbeid of overig inkomen als omschreven in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOAW. Dat blijkt uit de verklaring van appellant van 14 november 2016. Appellant heeft in zijn reactie hierop van 23 juli 2019 betwist dat sprake was van inkomen als bedoeld in voormeld artikelonderdeel. Er was sprake van een vriendendienst waarvoor appellant slechts een geringe onkostenvergoeding ontving.

4.2.

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de IOAW, bedraagt de uitkering het verschil tussen de van toepassing zijnde grondslag en het inkomen. In het geval van appellant wordt op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOAW onder inkomen verstaan de som van het inkomen uit arbeid of overig inkomen van de werkloze werknemer en de echtgenoot. Wat wordt verstaan onder inkomen uit arbeid of overig inkomen is op grond van artikel 8, derde lid, van de IOAW nader uitgewerkt in het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB).

4.3.

Uit 4.2 volgt dat voor het bepalen van de hoogte van de uitkering het inkomen uit arbeid of overig inkomen van appellant en zijn echtgenote moet worden betrokken. Niet in geschil is dat appellant in de maanden waarover de uitkering is ingetrokken op rommelmarkten heeft gestaan en hieruit (enige) inkomsten heeft gehad. Aan de orde is de vraag of deze inkomsten moeten worden aangemerkt als inkomen zoals bepaald in het AIB.

4.4.

In artikel 2:2, eerste lid, aanhef en onder c, van het AIB is bepaald dat onder inkomen uit arbeid wordt verstaan het belastbaar loon of het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in paragraaf 3.3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.4.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB), behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van die wet, voor zover de uitkeringsgerechtigde geen werknemer is als bedoeld in de onderdelen a en b.

4.5.

In artikel 3:90 van de Wet IB is bepaald dat het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden het gezamenlijke bedrag is van het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren verminderd met de terbeschikkingstellingsvrijstelling (§ 3.4.3 Terbeschikkingstellingsvrijstelling).

4.6.

Vaststaat dat appellant in de maanden oktober 2015, januari 2016, februari 2016,

mei 2016, juni 2016, juli 2016, augustus 2016 en oktober 2016 met een vriend op verschillende rommelmarkten heeft gestaan en dat appellant hiervoor de kraamhuur betaalde. Op 14 november 2016 heeft appellant hierover ten overstaan van twee medewerkers werkzaam bij de gemeente Drimmelen als volgt verklaard. “(…) Ik, [naam appellant], sta met een vriend op diverse rommelmarkten. Ik doe dit samen met [naam] . Ik maak het geld over voor de betaling van de kraam. [naam] heeft geen internet. Wij proberen 1 keer per maand naar een markt te gaan. Ik houd daar een aantal tientjes aan over. Het zijn geen honderden Euro´s. (…). [naam] heeft veel rommel en wij ook. Wij kunnen dit beter verkopen op een markt dan thuis laten staan. (…)”.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat appellant spullen, waaronder ook eigen spullen, heeft verkocht op rommelmarkten. Het later in bezwaar ingenomen standpunt van appellant, dat de opbrengst van alle verkoop naar zijn vriend [naam] ging en dat hij slechts een kleine onkostenvergoeding van zijn vriend ontving, acht de Raad gelet op zijn eerdere verklaring niet geloofwaardig. Het college heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat appellant inkomsten uit de verkoop van spullen op rommelmarkten heeft gehad.

4.8.

Inkomsten uit de verkoop van goederen op rommelmarkten worden in beginsel aangemerkt als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden zoals omschreven in 4.5 en behoren daarmee tot het in artikel 2:2, eerste lid, aanhef en onder c, van het AIB gedefinieerde inkomen uit arbeid. Dergelijke inkomsten zijn gelet op 4.2 van belang voor de vaststelling van de hoogte van de IOAW-uitkering. Door hiervan geen melding te maken bij het college heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de IOAW geschonden. Appellant heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt wat de omvang van de inkomsten was in de maanden waarover de IOAW-uitkering is ingetrokken. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het recht op IOAW-uitkering in deze maanden niet is vast te stellen.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop is het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade niet voor toewijzing vatbaar.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2020.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) A.A.H. Ibrahim