Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1052

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2020
Datum publicatie
04-05-2020
Zaaknummer
17/7636 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling ziekengeld op grond van de ZW, gebaseerd op een dagloon van € 25,23. Het Uwv is bij de dagloonberekening terecht uitgegaan van het door werkgeefster opgegeven loon volgens de polisadministratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/7636 ZW

Datum uitspraak: 29 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 november 2017, 16/5365 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.P. Koevoets, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Koevoets. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als assistent-bedrijfsleider bij [bedrijf] , in dienst van

[werkgeefster] (werkgeefster). Zij is op 26 oktober 2015 wegens ziekte uitgevallen. Het bedrijf is op 8 april 2016 gesloten. Bij beslissing op bezwaar van 8 september 2016 heeft het Uwv appellante een uitkering wegens betalingsonmacht op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) toegekend over de periode van 8 januari 2016 tot en met 19 mei 2016.

1.2.

Appellante is op 24 augustus 2016 ziek gemeld. Bij besluit van 23 september 2016 heeft het Uwv appellante met ingang van 8 april 2016 in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW), gebaseerd op een dagloon van € 25,23. Bij beslissing op bezwaar van 29 november 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 september 2016 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv bij de dagloonberekening terecht is uitgegaan van het door werkgeefster opgegeven loon volgens de polisadministratie. Het is aan appellante om aan te tonen dat het loon zoals opgegeven in de polisadministratie onjuist is. Naar het oordeel van de rechtbank is appellante daarin niet geslaagd. Dat appellante geen salarisstroken of jaaropgaven heeft ontvangen van werkgeefster komt voor haar risico. Uit de door appellante ingediende stukken – waaronder bankafschriften, verklaringen van twee collega’s en een vonnis van de kantonrechter van 7 maart 2016 – blijkt niet dat aan haar een hoger loon is betaald dan het door werkgeefster opgegeven bedrag van ruim € 500,- per maand.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat zij op grond van de arbeidsovereenkomst recht had op een bruto maandloon van € 2.155,09, te vermeerderen met vakantietoeslag. Dit is in rechte vast komen te staan door het vonnis van de kantonrechter van 7 maart 2016 dat in kracht van gewijsde is gegaan. Ook het Uwv is bij de toekenning van de WW-uitkering wegens betalingsonmacht uitgegaan van het loon op grond van de arbeidsovereenkomst. Appellante kreeg het loon contant uitbetaald. Het nettoloon fluctueerde in verband met overuren, maar zij ontving in ieder geval maandelijks het netto equivalent van het in de arbeidsovereenkomst overeengekomen loon. Zij kreeg geen loonstroken of kwitanties. Nadat zij op 26 oktober 2015 ziek was uitgevallen, heeft werkgeefster nog slechts tweemaal € 500,- netto betaald en heeft appellante een loonvordering ingesteld, die heeft geresulteerd in het vonnis van 7 maart 2016.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is de hoogte van het ZW-dagloon met ingang van 8 april 2016.

4.2.

Niet in geschil is dat de berekening van het dagloon terecht heeft plaatsgevonden op basis van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen zoals dat luidde op 8 april 2016 (Dagloonbesluit) en dat het refertejaar loopt van 1 september 2014 tot en met 31 augustus 2015. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt voor de toepassing van dit besluit de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. In geschil is of het Uwv zich terecht heeft gebaseerd op het door werkgeefster opgegeven loon in het refertejaar, zoals vermeld in de polisadministratie, of dat uitgegaan moet worden van het in de arbeidsovereenkomst vermelde loon.

4.3.

Volgens artikel 2 van de Beleidsregels Uwv gebruik polisgegevens (Stcrt. 21 juli 2009, nr. 11028, Beleidsregels) gebruikt het Uwv, behoudens het bepaalde in artikel 3, voor besluiten over de vaststelling van het dagloon en het maatmanloon de gegevens die aanwezig zijn in de polisadministratie. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels gebruikt het Uwv, indien het vaststelt dat de gegevens in de polisadministratie niet kunnen worden gebruikt, gegevens uit een andere bron. Uit de toelichting bij artikel 3 van de Beleidsregels komt naar voren dat, als het Uwv heeft vastgesteld dat een gegeven in de polisadministratie niet kan worden gebruikt, omdat de werknemer aantoont dat een gegeven onjuist is, de werkgever alsnog een gecorrigeerde loonaangifte zal moeten doen, opdat het Uwv met het juiste loon rekening kan houden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3324).

4.4.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellante niet heeft aangetoond dat de opgave van werkgeefster van het loon in de referteperiode, zoals vermeld in de polisadministratie, onjuist is. De arbeidsovereenkomst en het vonnis van de kantonrechter van 7 maart 2016 bieden daarvoor geen grondslag. Uit die stukken blijkt niet dat het in de arbeidsovereenkomst vermelde loon aan appellante in de referteperiode is betaald. Hierbij is van belang dat appellante ter zitting van de rechtbank en de Raad heeft verklaard dat de loonbetaling – contant, in wisselende bedragen en zonder kwitanties – afweek van de regeling in de arbeidsovereenkomst, die een maandelijkse bruto-betaling onder verstrekking van een loonstrook vermeldt. Zij heeft haar stelling dat zij maandelijks het netto equivalent van het in de arbeidsovereenkomst vermelde loon ontving ook in hoger beroep niet met verifieerbare gegevens onderbouwd. Gelet hierop komt aan de arbeidsovereenkomst geen betekenis toe bij de vraag van welk betaald loon in de referteperiode moet worden uitgegaan. De kantonrechter is bij de beoordeling van de loonvordering van appellante weliswaar uitgegaan van de arbeidsovereenkomst, maar heeft dit blijkens het vonnis gedaan omdat werkgeefster niet kon bewijzen dat een afwijkende afspraak over de uitbetaling van het reguliere loon met appellante was gemaakt. Het vonnis bevat geen vaststelling over het aan appellante in de referteperiode betaalde loon. Het enige feitelijke gegeven dat daarover beschikbaar is, is het in de polisadministratie vermelde sv-loon, dat ontleend is aan de loonaangifte van werkgeefster. Gelet op het onder 4.3 weergegeven toetsingskader dient, nu niet is aangetoond dat dit gegeven onjuist is, daarvan te worden uitgegaan bij de bepaling van het dagloon. Dat het Uwv bij de onder 1.1 genoemde beslissing over de WW-uitkering wegens betalingsonmacht is uitgegaan van het in de arbeidsovereenkomst vermelde loon leidt niet tot een ander oordeel, nu ook die beslissing geen vaststelling bevat over het in de referteperiode aan appellante betaalde loon.


5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en J.S. van der Kolk en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2020.

(getekend) E. Dijt

(getekend) D.S. Barthel