Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1047

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
04-05-2020
Zaaknummer
20/667 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en uitspraak gedaan in bodemzaak. Intrekken bijstand na opschorten omdat verzoekster verwijtbaar niet is verschenen op oproep met medebrenging van de gevraagde stukken. Niet aannemelijk dat verzoekster op grond van medische situatie niet in staat was op oproep te verschijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20/667 PW, 20/668 PW-VV

Datum uitspraak: 28 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 februari 2020, 19/4729 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van 14 februari 2020

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. R. Moghni, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Bij brief van 27 maart 2020 heeft de Raad - gelet op de maatregelen die de rechtspraak heeft getroffen in verband met het coronavirus - partijen gewezen op de mogelijkheid van afdoening van het verzoek om een voorlopige voorziening zonder zitting. Hierbij is tevens vermeld dat de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Voorts zijn partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk nader toe te lichten.

Verzoekster heeft bij brief van 3 april 2020 het verzoek nader onderbouwd.

Met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb is de behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoekster ontving bijstand ingevolge de Participatiewet (PW). In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek heeft het college verzoekster bij brief van 2 november 2018 verzocht uiterlijk 16 november 2018 de afschriften van alle op haar naam staande bank- en spaarrekeningen over de periode van 1 augustus 2018 tot en met 31 oktober 2018 te overleggen. Op 12 november 2018 heeft verzoekster kopieën van haar bankafschriften overgelegd. Naar aanleiding hiervan heeft de bijstandsconsulent van verzoekster haar uitgenodigd voor een gesprek op 21 november 2018. Verzoekster is verschenen en heeft bij die gelegenheid onder meer verklaard dat haar zus soms de boodschappen en de huur voor haar betaalt en dat zij drie tot vier keer per week naar Rotterdam gaat en daar dan blijft eten. Voorts is uit stempels in het paspoort gebleken dat verzoekster in het buitenland is geweest. Nader onderzoek heeft vervolgens uitgewezen dat verzoekster diverse malen zonder toestemming in het buitenland heeft verbleven. Gelet hierop heeft de bijstandsconsulent verzoekster uitgenodigd voor een gesprek op 28 november 2018 en daarbij verzocht kopieën van vliegtickets, in- en uitreisformulieren en paspoort, alsmede bewijsstukken van financiering van reis- en verblijfskosten te overleggen. Verzoekster is niet op dit gesprek verschenen, maar heeft op 29 november 2018 telefonisch laten weten dat zij zich heeft vergist in de datum.

1.2.

Bij besluit van 12 december 2018 heeft het college het recht op bijstand per 28 november 2018 opgeschort. Daarbij heeft het college verzoekster uitgenodigd voor een gesprek op 14 december 2018, waarbij zij wederom is gevraagd de eerdergenoemde gegevens mee te nemen. Het college heeft er daarbij op gewezen dat als appellante het geconstateerde verzuim niet herstelt, het college de bijstand zal intrekken vanaf de eerste dag dat de bijstand is opgeschort. Verzoekster is zonder bericht niet verschenen.

1.3.

Bij besluit van 18 december 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 augustus 2019 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand met ingang van 28 november 2018 ingetrokken met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat verzoekster niet heeft gereageerd op oproepen van het college en heeft nagelaten de door het college gevraagde gegevens te verstrekken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Verzoekster heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en dat overigens geen sprake is van een beletsel om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.4.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevraagde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt, dan wel anderszins onvoldoende medewerking heeft verleend en hem dit te verwijten valt, het recht op bijstand opschorten vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft. Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de PW doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen de door hem te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de PW bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4.5.

Verzoekster heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand per 28 november 2018 op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW in rechte stand kan houden.

4.6.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.7.

Niet in geschil is dat verzoekster niet is verschenen op de afspraak van 14 december 2018 en dat zij de bij het opschortingsbesluit gevraagde ontbrekende stukken niet binnen de daartoe gestelde hersteltermijn heeft verstrekt. Evenmin is in geschil dat de gevraagde gegevens van belang waren voor de beoordeling van het recht op bijstand. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of verzoekster hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

4.8.

Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij als gevolg van ernstige psychische problemen niet in staat was gehoor te geven aan de oproep van het college om te verschijnen en de gevraagde gegevens te verstrekken. Zij heeft aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende acht heeft geslagen op de door haar ter onderbouwing van haar medische situatie ingediende bewijsstukken.

4.9.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de door verzoekster overgelegde informatie, waaronder een brief van haar huisarts van 15 oktober 2019, blijkt weliswaar dat verzoekster sinds drie jaar kampt met een ernstige depressie en dat zij in november 2018 door medicijngebruik in de war was, maar niet dat zij als gevolg daarvan niet in staat was tijdig te reageren op oproepen van het college. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat verzoekster in bezwaar heeft verklaard dat haar zus in de betreffende periode haar post beheerde. Dat haar zus hierbij, zoals verzoekster heeft gesteld, de oproepen van het college over het hoofd heeft gezien, komt voor rekening en risico van verzoekster.

Conclusie

4.10.

Uit 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet daarop bestaat ook geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2020.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) R.B.E. van Nimwegen