Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1035

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2020
Datum publicatie
30-04-2020
Zaaknummer
18/72 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidskundige bezwaar en beroep is afdoende onderbouwd dat op de beoordelingsdatum geen sprake was van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen bij appellante. De in hoger beroep overgelegde aanvullende stukken bevatten geen nieuwe informatie over de medische situatie van appellante op de datum in geding en leiden daarom niet tot een andere conclusie. Afwijzing verzoek om een deskundige te benoemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 72 WAJONG

Datum uitspraak: 23 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

29 november 2017, 17/4950 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. Namens appellante is verschenen mr. Vreeswijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren op 13 juli 1993, heeft met een door het Uwv op 26 september 2016 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante sinds januari 2010 paniekaanvallen, smetvrees en energetische klachten heeft. Ter onderbouwing van haar aanvraag heeft appellante diverse medische gegevens overgelegd. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 9 november 2016 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellante nu geen arbeidsvermogen heeft maar deze situatie niet duurzaam is.

1.2.

Bij besluit van 17 juli 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 9 november 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat op de datum in geding sprake was van een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich nog konden ontwikkelen. De rechtbank heeft in overweging genomen dat het Uwv ook voldoende concreet en deugdelijk heeft beoordeeld welke behandelmogelijkheden er voor appellante bestaan en wat die behandelmogelijkheden kunnen opleveren. Dat het Uwv onvoldoende gewicht aan de duur en complexiteit van de klachten heeft toegekend, heeft appellante volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd met medische gegevens. Hetgeen appellante heeft aangevoerd geeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende reden om aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te twijfelen. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien voor het benoemen van een deskundige.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij in de toekomst geen arbeidsmogelijkheden heeft of kan ontwikkelen en dat haar beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Volgens appellante heeft het Uwv ten onrechte overwogen dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is en dat zij met goede medische behandeling in staat is om arbeidsvermogen te ontwikkelen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een brief van GGZ-instelling [naam instelling] van 14 december 2018 en een verklaring van [X] van 3 januari 2019 overgelegd. Appellante is van mening dat de rechtbank haar verzoek om een deskundige te benoemen ten onrechte heeft afgewezen en verzoekt de Raad alsnog een deskundige te raadplegen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 1a:1 eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die:

a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;

b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

4.1.2.

Op grond van het tweede lid kan de ingezetene die op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte alsnog jonggehandicapte worden in de zin van dit hoofdstuk, indien hij binnen vijf jaar alsnog duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak.

4.1.3.

Op grond van het vierde lid wordt onder ‘duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben’, de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

4.1.4.

Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’ (Compendium). In het beoordelingskader is het volgende stappenplan opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen:

“Stap 1 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.

Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 2 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:

- er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;

- de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.

Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen

De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.

Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.”

4.1.5.

Het gaat bij de vraag naar de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen om de toekomstige mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige moeten een inschatting maken over hoe de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij de betrokkene kunnen ontwikkelen. Dit brengt volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018) voor een zorgvuldige besluitvorming mee dat de inschatting van de verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige van de ontwikkeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betrokkene aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de situatie van de betrokkene op de datum in geding. In het geval de inschatting van de mogelijkheden tot ontwikkeling berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de betrokkene. Als de betrokkene bezwaar maakt tegen het oordeel dat geen sprake is van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen, zal de verzekeringsarts bezwaar en beroep en/of de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, rekening houdend met alle medische en arbeidskundige gegevens die in de bezwaarfase voorhanden zijn, voor zover deze betrekking hebben op de datum in geding, beoordelen of de inschatting van het niet duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen gehandhaafd moet blijven.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante op de datum in geding, 26 september 2016, geen arbeidsvermogen had. In geschil is de vraag of appellante duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

4.3.

Geoordeeld wordt dat het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. De verzekeringsarts heeft de dossiergegevens bestudeerd, een anamnese afgenomen, psychisch onderzoek verricht en informatie van de behandelend sector bij de beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de bevindingen van de verzekeringsarts heroverwogen. De arbeidsdeskundige heeft dossierstudie verricht, appellante gesproken tijdens het spreekuur en overleg gevoerd met de verzekeringsarts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van het dossier en na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep de bevindingen van de arbeidsdeskundige in heroverweging genomen. De verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen hebben afdoende gemotiveerd hoe zij tot hun standpunt zijn gekomen.

4.4.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat het ontbreken van arbeidsvermogen bij appellante niet duurzaam is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op inzichtelijke wijze onderbouwd dat de langdurige psychische problematiek van appellante, die verband houdt met een obsessief-compulsieve stoornis (OCD), angstklachten en depressieve klachten, behandelbaar is en kan worden verbeterd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft concreet uiteengezet dat cognitieve gedragstherapie, systeeminterventies, opbouw van dagbesteding, gerichte behandeling volgens het behandelprotocol behorend bij een depressieve stoornis en farmacotherapie tot de behandelmogelijkheden van appellante behoren. Ook is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep toevoeging van ondersteunende interventies mogelijk evenals verwijzing naar een specialistische instelling. Tevens kunnen andere behandelmogelijkheden worden overwogen, zoals (dag) klinische psychotherapie of sociaalpsychiatrische begeleiding. Uit de beschikbare medische informatie is niet gebleken dat appellante de genoemde behandelmogelijkheden volledig heeft benut.

4.5.

Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van dermate ernstige psychische problematiek dat enige toename van bekwaamheden is uitgesloten. Dat bij appellante ontwikkelingsmogelijkheden aanwezig zijn, wordt bevestigd in de informatie van de behandelend GZ-psycholoog van 15 augustus 2016. De GZ-psycholoog adviseert gesprekken bij een sociaalpsychiatrisch verpleegkundige, gericht op verstevigen van autonomie, dagbesteding dan wel studie of werk, het aanvragen van urgentie voor een eigen woning en het verkrijgen van eigen inkomsten. Indien de basisvoorwaarden voor een verdere autonome ontwikkeling zijn gecreëerd, kunnen de OCD-klachten van appellante door middel van cognitieve gedragstherapie worden aangepakt. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep persoonlijke omstandigheden bij appellante opgemerkt die haar functioneren ondersteunend kunnen beïnvloeden. Hierbij moet worden gedacht aan de wens van appellante tot verandering van haar gedragspatroon alsmede haar wens om te herstellen en actief te zoeken naar professionele hulp. Ook haar jonge leeftijd en goede leervermogen zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gunstige factoren die kunnen bijdragen aan haar ontwikkeling. Appellante heeft in het verleden met de toen al bestaande klachten een stage kunnen volgen en haar Mbo-opleiding niveau 3 kunnen afronden. Er bestaat geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante onder juiste omstandigheden haar functioneren in de toekomst kan verbeteren en een toename van haar bekwaamheden kan bereiken.

4.6.

Geoordeeld wordt dat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidskundige bezwaar en beroep afdoende is onderbouwd dat op de beoordelingsdatum geen sprake was van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen bij appellante. De in hoger beroep overgelegde aanvullende stukken bevatten geen nieuwe informatie over de medische situatie van appellante op de datum in geding en leiden daarom niet tot een andere conclusie.

4.7.

Wegens het ontbreken van twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling, wordt het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen afgewezen.

4.8.

De overwegingen in 4.2 tot en met 4.7 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S. Wijna en G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2020.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) R.H. Koopman