Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1031

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2020
Datum publicatie
30-04-2020
Zaaknummer
18/822 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie. Terugvordering teveel betaalde WAO-uitkering. Het Uwv heeft de aan appellant uitbetaalde loonbedragen in de maanden december 2015 en december 2016 terecht over deze maanden in aanmerking genomen bij toepassing van artikel 44 van de WAO. Het Uwv heeft terecht geen ruimte gezien om van artikel 44, tweede lid, van de WAO af te wijken. Dat de werking van artikel 44, tweede lid, van de WAO in dit geval ongunstige gevolgen heeft voor appellant, biedt niet de mogelijkheid om de in december 2015 en december 2016 uitbetaalde loonbedragen op een andere wijze te verrekenen. De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het AIB niet van toepassing is en voor analoge toepassing daarvan geen grondslag is. Dat geldt ook voor de in hoger beroep bepleite (analoge) toepassing van het in artikel 1 van het Dagloonbesluit genoemde begrip aangiftetijdvak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/243
NJB 2020/1221
USZ 2020/130
RSV 2020/133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 822 WAO, 19/2118 WAO

Datum uitspraak: 22 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 27 december 2017, 17/2139 (aangevallen uitspraak 1) en 3 april 2019, 18/1552 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [X] hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1.

Namens appellant heeft mr. L.E. Roberts-Hafkamp hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 11 maart 2020. Namens appellant is mr. Roberts-Hafkamp verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant is met ingang van 22 april 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. De uitkering is laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellant verricht naast de WAO‑uitkering vanaf 31 januari 2005 werkzaamheden bij [naam werkgever B.V] (de werkgever).

1.2.

Bij besluit van 7 oktober 2015 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de WAO‑uitkering voortaan in de vorm van een voorschot wordt uitbetaald en dat in november 2016 de inkomsten van appellant definitief worden vastgesteld over de periode van 1 november 2015 tot en met 31 oktober 2016. Verder heeft het Uwv in het besluit vermeld dat op basis van de op dat moment bekende gegevens ervan uitgegaan wordt dat de inkomsten van appellant geen gevolgen hebben voor de hoogte van de WAO-uitkering.

1.3.

Bij besluit van 23 november 2016 heeft het Uwv de hoogte van de WAO-uitkering van appellant over de periode van 1 november 2015 tot en met 31 oktober 2016 definitief berekend. Daarbij heeft het Uwv vastgesteld dat appellant over de periode van 1 december 2015 tot en met 31 december 2015 een bedrag van € 699,91 bruto te veel aan WAO-uitkering heeft ontvangen en heeft dit bedrag van appellant teruggevorderd. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 november 2016 is bij besluit van 22 februari 2017 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

1.4.

Bij besluit van 22 november 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant over de periode van 1 november 2016 tot en met 31 oktober 2017 een bedrag van € 648,46 bruto te veel aan WAO-uitkering heeft ontvangen en heeft voorts dit bedrag van appellant teruggevorderd. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 november 2017 is bij besluit van 2 februari 2018 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

1.5.

De werkgever heeft tot januari 2017 voor het uitbetalen van het loon aan appellant een loontijdvak van vier weken gehanteerd. Voor de opgave van het loon voor de sociale verzekeringswetten (sv-loon) aan de Belastingdienst heeft de werkgever echter een loontijdvak van één maand gehanteerd. Dat heeft – voor zover hier van belang – tot gevolg gehad dat aan appellant in de maanden december 2015 en december 2016 telkens op twee momenten over een periode van vier weken loon is uitbetaald en dat de loonopgave aan de Belastingdienst over die maanden aanzienlijk hoger is geweest dan in de andere maanden, waarin slechts op één moment loon is uitbetaald. De inkomsten van appellant zijn in de maanden december 2015 en december 2016 daardoor zodanig hoog geweest dat de betaling van zijn WAO-uitkering in deze maanden is berekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. In de andere maanden in de periode van 1 november 2015 tot en met 31 oktober 2017 is de WAO-uitkering ongewijzigd betaald naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%.

2. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraken 1 en 2 de beroepen van appellant tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in beide uitspraken overwogen dat het Uwv op grond van het per 1 juli 2015 geldende artikel 10a van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) terecht het sv-loon van appellant, zoals vermeld in Suwinet, per maand heeft afgezet tegen het maatmaninkomen van appellant in diezelfde maand. Niet gebleken is dat het Uwv de berekeningen onjuist heeft uitgevoerd. De rechtbank heeft ingezien dat de berekening, zoals die vanaf 1 juli 2015 wordt gehanteerd, voor appellant ongunstig uitpakt zolang de werkgever van appellant het salaris per vier weken uitbetaalt en aan de Belastingdienst opgave doet per kalendermaand. Dat appellant dit als onrechtvaardig ervaart, kan volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel leiden. Verder heeft de rechtbank in aangevallen uitspraak 2 overwogen dat appellant niet wordt gevolgd in zijn grond dat het Schattingsbesluit in zijn geval buiten toepassing dient te worden gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat in de Nota van Toelichting bij de wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2015, 253) is vermeld dat het met de aanpassing van het Schattingsbesluit mogelijk is gemaakt dat het Uwv bij loon uit de dienstbetrekking niet langer een uurloonvergelijking toepast maar een periodeloonvergelijking en dat de materiële wetgever uitdrukkelijk onder ogen heeft gezien dat de kortingsbepaling ook wordt toegepast in het geval het loon in het aangiftetijdvak betrekking heeft op in meerdere tijdvakken verrichte arbeid, zoals in het geval van appellant. Er is volgens de rechtbank geen grond om te oordelen dat de materiële wetgever niet in redelijkheid tot de systematiek van toepassing van een periodeloonvergelijking heeft kunnen komen. Dat in de nota van toelichting als groep die een lagere WAO-uitkering zal ontvangen alleen wordt genoemd de groep WAO-gerechtigden die meer uren werkt dan de urenomvang van de maatman, leidt niet tot een ander oordeel. In aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank naar aanleiding van het beroep van appellant op (analoge) toepassing van artikel 4:1, zevende lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB), waarin is bepaald dat het Uwv bij de vaststelling van het inkomen het loon dat door de uitkeringsgerechtigde is genoten in een aangiftetijdvak, kan toerekenen aan de dag waarop dat loon betrekking heeft, geoordeeld dat het AIB niet van toepassing is op de WAO en dat voor een analoge toepassing geen wettelijke grondslag bestaat. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank in beide zaken op goede gronden geconcludeerd dat appellant in de periode in geding te veel aan WAO-uitkering heeft ontvangen, zodat hij de te veel ontvangen bedragen aan het Uwv moet terugbetalen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat in zijn geval de wijzigingen van artikel 44 van de WAO en artikel 10a van het Schattingsbesluit per 1 juli 2015 buiten toepassing moeten worden gelaten. Volgens appellant zou dat deel van het loon dat appellant in december 2015, onderscheidenlijk in december 2016 ontving, maar geen betrekking heeft op deze maanden, moeten worden toegerekend aan het voorgaande aangiftetijdvak. Appellant ontving jarenlang hetzelfde loon en hetzelfde bedrag aan WAO-uitkering zonder dat dit tot een terugvordering heeft geleid. Alleen vanwege de wetswijziging per 1 juli 2015, waarin is overgestapt van een uurloonvergelijking naar een periodeloonvergelijking, is hij geconfronteerd met een terugvordering van zijn WAO-uitkering. Dit gevolg voor uitkeringsgerechtigden in een situatie als die van appellant, waarin sprake is van een loonbetalingstijdvak van vier weken en een loonaangiftetijdvak van een maand, is door de wetgever miskend, zodat deze wetswijziging buiten toepassing moet worden gelaten. Volgens appellant heeft de wetgever onvoldoende onderzoek verricht naar de relevante feiten en belangen van deze groep werknemers en de financiële gevolgen van de wetswijziging voor hen. In de nota van toelichting bij het Schattingsbesluit heeft de wetgever alleen blijk gegeven van een verwacht negatief gevolg voor uitkeringsgerechtigden die meer uren werken dan de urenomvang van hun maatman. Voor de overige uitkeringsgerechtigden werd geen effect verwacht.
Verder heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de wijze van berekening een onredelijke uitwerking heeft. Als de totale inkomsten van appellant over de periode van 1 november 2015 tot 31 oktober 2016 en over de periode van 1 november 2016 tot en met 31 oktober 2017 zouden worden verspreid over het betreffende kalenderjaar, zou dat tot een arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80% leiden. Hij heeft opnieuw een beroep gedaan op analoge toepassing van het AIB. Voorts is appellant van mening dat onder het begrip aangiftetijdvak ook een periode van vier weken kan vallen. In dit verband heeft appellant gewezen op het begrip aangiftetijdvak zoals genoemd in het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv meent op juiste wijze artikel 44 van de WAO en artikel 10a van het Schattingsbesluit te hebben toegepast. De gronden van appellant over de vermeende miskenning door de wetgever van de nadelige gevolgen gaan volgens het Uwv niet op, nu de voor appellant nadelige gevolgen samenhangen met de wijze waarop de werkgever loonaangifte heeft gedaan.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO wordt de uitkering van degene die arbeid gaat verrichten en daaruit inkomsten geniet gedurende een periode van vijf jaar niet ingetrokken of herzien, maar wordt de uitkering uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de uitkering die zou zijn vastgesteld als die arbeid als algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO zou zijn aangemerkt.

4.2.

In artikel 44, tweede lid, zoals dat luidt met ingang van 1 juli 2015, van de WAO is bepaald dat indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in dienstbetrekking arbeid als bedoeld in het eerste lid van voornoemd artikel verricht of heeft verricht, het loon geacht wordt te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.

4.3.

Op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO wordt de uitkering die onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd.

4.4.

Artikel 10a van het Schattingsbesluit, zoals dat luidt met ingang van 1 juli 2015, is van toepassing bij de uitvoering van, voor zover hier van belang, artikel 44, eerste lid, van de WAO, indien sprake is van loon als bedoeld in het tweede lid van artikel 44 van de WAO. In het vierde lid is bepaald dat het arbeidsongeschiktheidspercentage als volgt wordt berekend:

(M-L) / M * 100%

Hierbij staat L voor het loon, bedoeld in de artikelen 44, tweede lid van de WAO (…) per aangiftetijdvak; en,

M voor het maatmaninkomen zoals berekend op grond van het derde lid.

4.5.

Niet in geschil is dat het Uwv op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 44 van de WAO en artikel 10a van het Schattingsbesluit, zoals deze bepalingen luiden met ingang van 1 juli 2015. Ook is niet in geschil dat de gegevens in de polisadministratie juist zijn.

4.6.

Appellant betoogt tevergeefs dat in zijn geval de periodeloonvergelijking buiten toepassing moet worden gelaten. Zoals in 4.2 is vermeld, wordt op grond van artikel 44, tweede lid, van de WAO het loon geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan. Gelet hierop wordt geoordeeld dat de loonbetalingen in december 2015 en in december 2016 bij de toepassing van artikel 44 van de WAO over deze maanden in aanmerking moeten worden genomen en niet kunnen worden toegerekend aan een ander aangiftetijdvak. Van belang is hierbij dat artikel 44, tweede lid, van de WAO een dwingende bepaling is die het Uwv geen ruimte geeft om hiervan af te wijken. Uit de tweede nota van wijziging bij de Verzamelwet SZW 2015 (Kamerstukken II 2014/15, 33 988, nr. 11, p. 8) blijkt dat de wetgever op dit punt een bewuste keuze heeft gemaakt en voor ogen heeft gehad dat het Uwv bij de verrekening van inkomsten uit arbeid zonder meer kan uitgaan van de opgave per tijdvak door de werkgever. Ook uit de nota van toelichting bij het Besluit van 17 juni 2015 tot wijziging van het Schattingsbesluit (Stb. 2015, 253, p. 4) blijkt dat de kortingsbepaling van artikel 44, tweede lid, van de WAO moet worden toegepast over het tijdvak waarin van dat loon aangifte is gedaan, ook in het geval dit loon bijvoorbeeld betrekking heeft op in meerdere tijdvakken verrichte arbeid, of als er sprake is van een nabetaling. Hieruit blijkt dat dergelijke nadelige effecten zijn meegewogen. Verder blijkt uit de nota van toelichting en de tweede nota van wijziging ook dat het expliciet de bedoeling van de wetgever is geweest om aan te sluiten bij de aangiftetijdvakken en de gegevens zoals opgegeven in de polisadministratie.

4.7.

Voor zover appellant aanvoert dat toepassing van artikel 44 van de WAO, zoals dat artikel luidt sinds 1 juli 2015, leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat van de verrekening, overweegt de Raad als volgt. Volgens vaste rechtspraak houdt het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet het verbod in om wetten in formele zin, zoals in dit geval de WAO, te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en brengt dit voorts mee dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht (zie bijvoorbeeld, in navolging van het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725 (het Harmonisatiewet-arrest), de uitspraak van de Raad van 30 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1675). Dit neemt echter niet weg dat, indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dit is het geval indien niet-verdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen.

4.8.

Bijzondere omstandigheden als bedoeld in 4.7 zijn niet gebleken. Het enkele feit dat de werkgever in de periode in geding een loonbetalingstijdvak hanteert van vier werken en een loonaangiftetijdvak van een maand, is niet een zodanige omstandigheid. Voor het buiten toepassing laten van artikel 44, tweede lid, van de WAO is dan ook geen aanleiding.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat het Uwv terecht geen ruimte heeft gezien om van artikel 44, tweede lid, van de WAO af te wijken. Dat de werking van artikel 44, tweede lid, van de WAO in dit geval ongunstige gevolgen heeft voor appellant, biedt niet de mogelijkheid om de in december 2015 en december 2016 uitbetaalde loonbedragen op een andere wijze te verrekenen. De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het AIB niet van toepassing is en voor analoge toepassing daarvan geen grondslag is. Dat geldt ook voor de in hoger beroep bepleite (analoge) toepassing van het in artikel 1 van het Dagloonbesluit genoemde begrip aangiftetijdvak. Het Uwv heeft de aan appellant uitbetaalde loonbedragen in de maanden december 2015 en december 2016 dan ook terecht over deze maanden in aanmerking genomen bij toepassing van artikel 44 van de WAO.

4.10.

Uit 4.2 tot en met 4.9 volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en M.E. Fortuin en S.B. Smit‑Colenbrander als leden, in tegenwoordigheid van H.S. Huisman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2020.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) H.S. Huisman