Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1030

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2020
Datum publicatie
29-04-2020
Zaaknummer
20/1406 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb naar voren gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 1406 ZW, 20/1407 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 in verbinding met artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 2 april 2020, 17/6216 ZW, 17/6217 WIA, 17/7137 WIA

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 24 april 2020

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft gevraagd om herziening van de uitspraak van de Raad van 2 april 2020, 17/6216 ZW, 17/6217 WIA, 17/7137 WIA.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij de uitspraak van 2 april 2020 waarvan herziening wordt verzocht heeft de Raad de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 8 september 2017, 16/4955 en van 8 september 2017, 17/151, bevestigd en het verzoek van verzoeker om veroordeling tot vergoeding van schade afgewezen.

2.1.

Bij verzoekschrift heeft verzoeker aangevoerd dat door de Raad ten onrechte is overwogen dat hij geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd terwijl hij een

rapport van de behandelaar, alsmede het verslag van een verzekeringsarts uit 2019 heeft ingediend. Verzoeker heeft er voorts op gewezen dat hij in hoger beroep heeft aangevoerd dat het Uwv niet alle stukken heeft overlegd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1615) dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. In beginsel kunnen slechts aangelegenheden van feitelijke aard tot herziening leiden. Dit kan alleen indien is voldaan aan de strikte voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

3.3.

Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb naar voren gebracht. Verzoeker beoogt in feite een hernieuwde discussie over wat in de uitspraak van de Raad van 2 april 2020 is vastgesteld. Uit wat in 3.2 is overwogen volgt dat het middel van herziening daar niet toe kan strekken. Het verzoek om herziening is kennelijk ongegrond, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2020.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) R.H. Koopman

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.