Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1020

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2020
Datum publicatie
29-04-2020
Zaaknummer
18/4385 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toekenning dubbele kinderbijslag met terugwerkende kracht. Het dwingend geformuleerde artikel 14, derde lid, van de AKW biedt niet de mogelijkheid om het recht op dubbele kinderbijslag met ingang van een eerdere datum dan het eerste kwartaal van 2018 toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4385 AKW

Datum uitspraak: 24 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2018, 18/3030 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Matadien, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Matadien en K. Blom als tolk. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontving voor haar kind [naam kind], geboren [in] 2008, met ingang van het vierde kwartaal van 2013 een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen. Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft de Svb het recht op deze tegemoetkoming met ingang van het vierde kwartaal van 2014 beƫindigd, omdat de vereiste indicatie niet meer geldig was. In het besluit is appellante uitgenodigd een nieuwe indicatie aan te vragen en aan de Svb te sturen. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

1.2.

Op 7 februari 2018 heeft appellante bij de Svb een aanvraag voor dubbele kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor [naam kind] ingediend.

1.3.

Bij besluit van 26 februari 2018 heeft de Svb aan appellante met ingang van het eerste kwartaal van 2018 dubbele kinderbijslag toegekend.

1.4.

Bij besluit van 24 april 2018 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 26 februari 2018 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat het op grond van artikel 14, derde lid, van de AKW niet mogelijk is om de dubbele kinderbijslag met terugwerkende kracht toe te kennen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het niet mogelijk is om dubbele kinderbijslag toe te kennen met ingang van een datum voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag is ingediend. De stelling van appellante dat de Svb haar had moeten inlichten over het recht op dubbele kinderbijslag vindt geen steun in de wet noch in enige andere rechtsregel.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de Svb haar had moeten informeren over de mogelijkheid om dubbele kinderbijslag aan te vragen. Temeer omdat de Svb bekend was met het CIZ-besluit van 18 mei 2016, waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voor het recht op dubbele kinderbijslag was voldaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen, wordt onderschreven. Het dwingend geformuleerde artikel 14, derde lid, van de AKW biedt niet de mogelijkheid om het recht op dubbele kinderbijslag met ingang van een eerdere datum dan het eerste kwartaal van 2018 toe te kennen. Wat appellante heeft aangevoerd over de informatieplicht van de Svb leidt niet tot een ander oordeel. Uit vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4434) volgt dat van een informatieplicht van de Svb geen sprake is. Daar komt in dit geval bij dat de Svb appellante in 2014 uitdrukkelijk heeft uitgenodigd een indicatie te overleggen teneinde haar rechten veilig te stellen. Voorts is de Svb, anders dan appellante heeft gesteld, niet bekend met een CIZ-indicatie van 18 mei 2016. Eerst bij haar aanvraag van dubbele kinderbijslag van 19 januari heeft appellante een nieuw indicatiebesluit overgelegd, dat evenwel slechts geldig is geldig tot 31 december 2015. Het dossier biedt daarom ook overigens geen aanleiding om te concluderen dat de Svb op enigerlei wijze blaam treft voor de laattijdige aanvraag voor kinderbijslag.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2020.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) D.S. Barthel