Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:1014

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2020
Datum publicatie
29-04-2020
Zaaknummer
19/2885 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indien een medewerker waarvan de plaatsingstermijn afloopt, op realistische wijze reageert op één of meer functies op het eigen salarisniveau en op één of meer functies op een lager salarisniveau, hij bij plaatsing in de functie op een lager niveau de persoonlijke schaal en het bijbehorende salaris behoudt. De Raad is dan ook met de rechtbank en anders dan de minister van oordeel dat bij betrokkene ten onrechte een inhouding op zijn salaris wordt toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2885 AW, 19/3228 AW

Datum uitspraak: 23 april 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 mei 2019, 18/7791 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Buitenlandse Zaken (minister)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De minister heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. K.F.A.M. Weijling, advocaat, een verweerschrift ingediend.

De minister heeft op 15 juli 2019 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A. Westra en B.A.E. Norbart. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Weijling.

OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.

2.1.

Betrokkene is sinds 1987 in dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Bij besluit van 11 augustus 2014 is hij met toepassing van de artikelen 26 en 29, eerste lid onder a, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ) tot de zomer van 2018 op detacheringsbasis geplaatst in de functie van [naam functie 1] bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, schaal 14.

2.2.

Bij besluit van 19 maart 2018, gerectificeerd bij besluit van 27 maart 2018, is betrokkene met toepassing van de artikelen 26 en 27 van het RDBZ tot de zomer van 2023 geplaatst in de functie van [naam functie 2], schaal 13. Dat betreft een ten opzichte van zijn persoonlijke salarisschaal (schaal 14) lagere gewaardeerde functie. Gelet op artikel 35, vijfde lid, van het RBDZ is hieraan de consequentie verbonden van het verlagen van het persoonlijke schaalniveau naar dat van de nieuw te vervullen functie voor de duur van de plaatsing daarin. De verlaging wordt vormgegeven door een inhouding op de persoonlijke schaal gelijk aan het verschil tussen het salaris dat betrokkene geniet en gaat genieten bij inpassing in de bij de nieuwe functie behorende salarisschaal. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 oktober 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

3.2.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de minister op 15 juli 2019 een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant genomen, waarbij is bepaald dat appellant gedurende de in 2.2 genoemde plaatsing zijn persoonlijke salarisschaal behoudt.

4. De minister heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.1.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van het RDBZ geschiedt plaatsing in een functie op het departement of bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland. Op grond van het tweede lid maakt de ambtenaar op de daarvoor vastgestelde wijze kenbaar naar welke functies zijn voorkeur voor plaatsing in een volgende functie uitgaat.

5.1.2.

Ingevolge artikel 34, vijfde lid, van het RDBZ, behoudt de ambtenaar, ingeval een plaatsing als bedoeld in artikel 27 of 29 geschiedt in een functie waaraan een lagere salarisschaal is verbonden dan de salarisschaal die voor de betrokken ambtenaar geldt, in afwijking van artikel 5, vijfde lid, onderdeel d, van het BBRA 1984, de voor hem geldende salarisschaal. Indien evenwel sprake is van de in artikel 35, vierde lid, bedoelde omstandigheid, kan aan betrokkene een lagere salarisschaal worden toegekend.

5.1.3.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van het RDBZ wordt, indien de ambtenaar van 57 jaar of ouder op diens aanvraag geplaatst in een functie waaraan een salarisschaal is verbonden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem geldende salarisschaal, op zijn salaris een inhouding toegepast.

5.1.4.

Ingevolge artikel 35 vierde lid, van het RDBZ vindt inhouding niet plaats indien de in het eerste lid bedoelde functie wordt opgedragen op grond van artikel 27 of 29, tenzij betrokkene uitsluitend zijn voorkeur heeft kenbaar gemaakt voor functies waaraan een salarisschaal verbonden is met een lager maximumsalaris dan de reeds voor hem geldende salarisschaal, ondanks de beschikbaarheid van een passende functie waaraan een salarisschaal is verbonden die ten minste gelijk is aan de salarisschaal die voor betrokkene geldt.

5.2.

Het nadere besluit van 15 juli 2019 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in de beoordeling betrokken.

5.3.

Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad het volgende.

Vanwege een beoogde wisselende functievervulling wordt een medewerker op een functie voor een (buitenlandse) post geplaatst voor een bepaalde duur. Na afloop van de plaatsingsduur loopt de plaatsing van rechtswege af waarna de medewerker aansluitend wordt geplaatst in een passende andere functie. In de regel eindigt de plaatsing in de zomer, te weten tussen 1 juni en 1 september van een jaar. Functies die in een zomer vrijkomen en voor vervulling in aanmerking komen worden in een Functiebekendstelling (FBS) geplaatst. Ook tussentijds worden functies vervuld. Deze worden gepubliceerd in een Tussentijdse FBS (T‑FBS). De FBS bestaat uit twee volgtijdelijke publicaties:

-september/oktober met voornamelijk functies die de komende zomer beschikbaar komen vanwege het aflopen van een plaatsingstermijn en nieuw gecreëerde functies;

-januari met functies die de komende zomer vrijkomen door plaatsing van medewerkers die nog niet het einde van hun plaatsingstermijn hadden bereikt in functies van de eerste publicatie, de functies die na de eerste publicatie nog niet zijn vervuld en eventuele nieuwe functies. Het is daarbij de eigen verantwoording van de medewerker een nieuwe functie te vinden en te reageren op vacatures in de FBS of T-FBS. Zodra de (T-)FBS is gepubliceerd kan een medewerker reageren op een functie. Het matchingsproces voor de eerste publicatie en de tweede publicatie van de FBS stopt wanneer alle mogelijke voorkeursmatches gemaakt zijn. Bij een T-FBS is er geen sprake van een plaatsingsplan. De individuele functies worden vervuld op basis van de reacties van de medewerkers en de keuze van de leidinggevende, volgens hetzelfde proces als voor de FBS.

5.4.

Vanwege het aflopen van zijn reguliere plaatsingstermijn in de zomer van 2018 heeft betrokkene in december 2017 belangstelling getoond voor een aantal functies die via de T‑FBS zijn opengesteld, waaronder de “schaal 13”-functie van [naam functie 2] in [Z.] waarop hij is gematcht. De minister stelt zich op het standpunt dat nu betrokkene ruim voor het aflopen van zijn plaatsingstermijn in de zomer van 2018 op een T‑FBS functie heeft gereageerd, waarbij in de regel binnen twee maanden wordt geplaatst, hij zich aan de reguliere FBS-plaatsingsrondes heeft onttrokken. Het vóór afloop van de plaatsingstermijn reageren op een andere functie van zijn voorkeur, eventueel met een ander schaalniveau, en het accepteren van de functie op een lager niveau dan zijn persoonlijke schaal, maakt de voortijdige plaatsing op die functie niet tot een opgedragen functie in de zin van artikel 35, vierde lid, van het RDBZ. Gelet op het bepaalde in artikel 35, eerste lid, van het RDBZ leidt de plaatsing op een functie met een lagere schaal dan tot een salarisinhouding, aldus de minister.

5.5.

Met betrekking tot het plaatsingsproces heeft de minister beleidsregels opgesteld en neergelegd in de brochure “Het overplaatsingsproces in 10 stappen”. Daarin is uiteengezet wie welke rol en verantwoordelijkheid heeft in elke fase van het overplaatsingsproces, zowel bij de FBS als T-FBS. Onder het kopje “Stap 5- Belangstellingsregistratie” van het plaatsingsproces is vermeld dat het initiatief ligt bij de medewerker. Zodra de (T-)FBS is gepubliceerd, kan een medewerker reageren op de betreffende functie. In de toelichting op deze stap is onder het kopje “Mag ik op een lagere schaal reageren?” verwoord dat als een medewerker in het kader van de (T-)FBS reageert op een functie die één of meer salarisschalen lager is ingedeeld dan de salarisschaal die op de betrokkene van toepassing is, de DG/PSG/domeinstuurder de bijpassende functieschaal kan toekennen. Als specifieke voorbeelden die leiden tot het toekennen van de lagere functieschaal worden genoemd:

-als de medewerker lager gewaardeerde functies heeft opgegeven hoewel er een passende functie op zijn eigen schaalniveau beschikbaar is;

-indien de medewerker een expliciete voorkeur had voor één specifieke functie/post;

-indien een medewerker bewust een stapje terug wil doen in zijn/haar loopbaan;

-indien de plaatsingsduur van de medewerker de komende zomer nog niet afloopt zodat er geen noodzaak is om van functie te wisselen.

5.6.

De Raad stelt met partijen vast dat betrokkene geen expliciete voorkeur had voor één specifieke functie of post, hij niet bewust een stapje terug wilde doen in zijn loopbaan en dat er voor hem een noodzaak bestond om van functie te wisselen wegens de aflopende plaatsingsduur in de zomer van 2018. Verder staat vast dat betrokkene niet uitsluitend zijn voorkeur kenbaar heeft gemaakt voor functies waaraan een lagere salarisschaal is verbonden maar ook heeft gereageerd op functies op gelijk en hoger schaalniveau. Aldus wordt niet aan de specifieke voorwaarden voldaan op grond waarvan tot het toekennen van de lagere functieschaal kan worden overgegaan. De Raad ziet zich in dit oordeel gesteund door de nieuwsbrief “FBS 2018 Nieuws”, nummer 3, 13 oktober 2017 waaruit blijkt dat indien een medewerker waarvan de plaatsingstermijn komende zomer afloopt, op realistische wijze reageert op één of meer functies op het eigen salarisniveau en op één of meer functies op een lager salarisniveau, hij bij plaatsing in de functie op een lager niveau de persoonlijke schaal en het bijbehorende salaris behoudt. De omstandigheid dat betrokkene voortijdig heeft ingestemd met een plaatsing op een functie met een lagere schaal en dat hij de functies die bij de onder 5.2 genoemde rondes vrij zouden zijn gekomen niet heeft willen afwachten, kan er niet toe leiden dat uitsluitend om deze redenen er geen sprake kan zijn van een opgedragen functie als bedoeld in artikel 35, vierde lid, van het RDBZ. Betrokkene heeft gebruik gemaakt van de systematiek waarin medewerkers de mogelijkheid wordt geboden ook tussentijds hun voorkeur voor functies kenbaar te maken bij het aflopen van de plaatsingstermijn. Het tussentijds reageren op functies en het als gevolg daarvan plaatsen op de nieuwe functie voor het aflopen van de plaatsingstermijn, kan er in redelijkheid niet toe leiden dat, buiten de in het in het beleid genoemde gevallen, het aanvaarden van die nieuwe functie als een niet opgedragen plaatsing in de zin van de regelgeving wordt gekwalificeerd. De Raad is dan ook met de rechtbank en anders dan de minister van oordeel dat bij betrokkene ten onrechte een inhouding op zijn salaris wordt toegepast.

5.7.

Uit 5.2 tot en met 5.6 volgt dat het hoger beroep van de minister niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad ziet aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van betrokkene voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.050,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 1.050,-;

  • -

    bepaalt dat van de minister een griffierecht van € 519,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van D. Bakker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2020.

(getekend) H. Lagas

(getekend) D. Bakker