Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:998

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
17/6465 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Verzwegen werkzaamheden en verzwegen stortingen en bijschrijvingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6465 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 31 augustus 2017, 17/5041 en 17/5521 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college)

Datum uitspraak: 26 maart 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Ö. Sahin, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. S.B. Epozdemir, advocaat, en haar moeder [naam moeder] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Drazenovic.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 juni 2015 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

In het kader van een heronderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand heeft een consulent Werk en Inkomen van de gemeente Rijswijk op

3 april 2017 een gesprek met appellante gevoerd. Tijdens dit gesprek heeft appellante verklaard dat zij sinds 6 maart 2017 bij [naam bedrijf] werkt en heeft zij de door haar op 2 maart 2017 gesloten arbeidsovereenkomst overgelegd. Uit de door appellante overgelegde afschriften van de bankrekening van haar minderjarige inwonende zoon eindigend op nummer [nummer] (bankrekening) blijkt dat daarop diverse stortingen en bijschrijvingen van derden hebben plaatsgevonden. Het college heeft vervolgens bij besluit van 3 april 2017 het recht op bijstand van appellante met ingang van 6 maart 2017 opgeschort en appellante in de gelegenheid gesteld om onder meer een verklaring voor de herkomst van deze stortingen en bijschrijvingen op de bankrekening en een afschrift volgnummer 3 van deze bankrekening over te leggen. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 12 april 2017.

1.3.

Bij besluit van 12 april 2017 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 4 januari 2017, deels met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW, ingetrokken. Bij besluit van 19 april 2017 heeft het college de kosten van bijstand over de periode van 4 januari 2017 tot en met 31 maart 2017 tot een bedrag van € 2.710,60 van appellante teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 4 juli 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 12 en 19 april 2017, onder wijziging van de wettelijke grondslag in artikel 54, derde lid, van de PW, ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van haar werkzaamheden voor [naam bedrijf] en de stortingen en bijschrijvingen op de bankrekening. De op de bankrekening ontvangen bedragen in combinatie met de door appellante ontvangen inkomsten uit haar werkzaamheden zijn hoger dan de op appellante van toepassing zijnde bijstandsnorm, zodat zij geen recht op bijstand had.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 4 januari 2017 tot en met 12 april 2017.

4.2.

Het besluit tot herziening en intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Ingevolge artikel 17, eerste lid van de PW, voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.4.

Vaststaat dat appellante op 2 maart 2017 een arbeidsovereenkomst heeft gesloten en op 6 maart 2017 bij [naam bedrijf] in dienst is getreden. Niet in geschil is dat appellante geen melding heeft gemaakt van de door haar ontvangen inkomsten uit haar werkzaamheden bij [naam bedrijf] . Uit het verslag van het gesprek van 3 april 2017 blijkt dat appellante tegenover de consulente heeft verklaard dat zij nog niet is uitbetaald en daarom niks heeft gezegd tegen de gemeente. Dat [naam bedrijf] appellante nog niet had uitbetaald, doet er echter niet aan af dat appellante wel al een arbeidsovereenkomst had gesloten met en werkzaamheden had verricht voor [naam bedrijf] . Deze omstandigheden zijn onmiskenbaar van belang voor de bijstandsverlening. Door daarvan geen melding te maken heeft appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. De stelling van appellante dat het college van deze arbeidsovereenkomst en werkzaamheden op de hoogte was omdat zij in het kader van een re-integratietraject was geplaatst bij [naam bedrijf] , heeft het college weersproken en heeft appellante niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Ook anderszins zijn hiervoor geen aanknopingspunten in de gedingstukken voorhanden.

4.5.

Verder staat vast dat op de bankrekening in de te beoordelen periode diverse stortingen en bijschrijvingen hebben plaatsgevonden. Niet in geschil is dat de bedragen van deze stortingen en bijschrijvingen en de inkomsten van appellante uit haar werkzaamheden bij [naam bedrijf] tezamen in de te beoordelen periode hoger zijn dan de op appellante van toepassing zijnde bijstandsnorm. Gelet op wat ter zitting in hoger beroep is besproken, is tussen partijen niet in geschil dat appellante bij het college wel melding heeft gemaakt van de bankrekening, maar dat zij geen melding heeft gemaakt van de op deze rekening ontvangen stortingen en bijschrijvingen. Appellante heeft echter betwist dat zij over het tegoed van de bankrekening en de op deze rekening ontvangen inkomsten heeft beschikt en stelt dat zij daarom niet de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellante heeft in dat kader aangevoerd dat haar moeder feitelijk gebruik maakte van de bankrekening.

4.6.

Niet in geschil is dat appellante in beginsel over het tegoed op de bankrekening kon beschikken of redelijkerwijs kon beschikken. Appellante heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat haar beschikkingsmacht over het aanwezige tegoed op de bankrekening op enigerlei wijze was beperkt. De overgelegde verklaringen van de moeder van appellante inhoudende dat zij de bankrekening feitelijk in gebruik had, zijn daartoe ontoereikend. Daarbij komt dat de bankrekening ook voor af- en bijschrijvingen ten behoeve van appellante werd gebruikt. Van de bankrekening zijn onder meer in januari en februari huurbetalingen van de woning van appellante afgeschreven en op de bankrekening werd kinderbijslag ontvangen. Dat van de bankrekening ook betalingen ten behoeve van de moeder van appellante werden gedaan en een deel van de bijschrijvingen afkomstig was van de moeder van appellante, betekent niet dat appellante niet kon beschikken over het tegoed van de bankrekening.

4.7.

Nu appellante geen melding heeft gemaakt van de ontvangst van de stortingen en bijschrijvingen op de bankrekening, is ook sprake van schending van de inlichtingenverplichting voor deze inkomsten. Het enkele feit dat appellante wel melding heeft gemaakt van de bankrekening en tijdens eerder heronderzoek in 2016 ook afschriften van deze rekening heeft overgelegd waaruit blijkt van stortingen en bijschrijvingen, ontsloeg appellante niet van de verplichting om onverwijld en uit eigen beweging expliciet melding te maken van deze inkomsten. Dat het college na het heronderzoek in 2016 de verlening van bijstand aan appellante ongewijzigd heeft voortgezet, maakt dit niet anders. Anders dan appellante heeft aangevoerd, blijkt niet dat tijdens dit onderzoek is gesproken over de stortingen en bijschrijvingen op de bankrekening en dat aan haar zou zijn meegedeeld dat deze bedragen geen probleem waren voor het recht op bijstand. Dit blijkt niet uit het rapport van 1 juli 2016 en ook anderszins zijn hiervoor in de gedingstukken geen aanknopingspunten voorhanden.

4.8.

De beroepsgrond dat in het geval van appellante sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien, slaagt niet. Dringende redenen zijn aan de orde indien terugvordering tot onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene zou leiden. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Dat de terugvordering mogelijk nadelige gevolgen heeft voor haar schuldhulpverleningstraject, nog daargelaten dat dit niet blijkt uit de door appellante overgelegde stukken, betekent niet dat sprake is van onaanvaardbare consequenties. Daarbij is van belang dat appellante bij de invordering de bescherming geniet, of deze zo nodig kan inroepen, van de regels van de beslagvrije voet als neergelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.9.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en W.F. Claessens en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van E. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2019.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) E. Stumpel

md