Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:989

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
18/949 BPW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevolgen die het verzet van de ouders voor appellant heeft gehad. Bestreden besluit is, met de adviezen van zijn geneeskundig adviseurs, voldoende zorgvuldig voorbereid en draagkrachtig gemotiveerd. In aandachtspunten zijn geen verstoringen van betekenis als gevolg van derdenverzet. Geen objectieve gegevens tegenover. Psychische ziektegeschiedenis. Geen “rode draad” die tot de oorlog kan worden herleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 949 BPW

Datum uitspraak: 7 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.G.A. Mattheussens, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 januari 2018, kenmerk BZ011127971 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben ieder een nader stuk overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mattheussens. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1934, heeft in juni 2016 een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wbp. Hierbij heeft hij een beroep gedaan op artikel 3 van het ter uitvoering van artikel 1, tweede lid, van de Wbp tot stand gekomen Koninklijk besluit van 8 juli 1978, Stb. 422 (Besluit).

1.2.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 6 juni 2017, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Overwogen is dat niet is aangetoond dan wel voldoende aannemelijk gemaakt dat appellant heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet. Verder heeft verweerder geen aanleiding gezien appellant gelijk te stellen met de deelnemer aan het verzet omdat niet is gebleken dat sprake is van een ernstige verstoring van zijn levensomstandigheden tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 ten gevolge van het verzet van zijn ouders.

2. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 3 van het Besluit kan verweerder met personen die behoren tot de in artikel 2 omschreven categorieën op wie de Wbp van overeenkomstige toepassing is gelijkstellen degenen, wier omstandigheden tijdens de oorlogsjaren 1940‑1945 een zodanige overeenkomst vertonen met die van personen behorende tot eerder bedoelde categorieën, dat het niet van toepassing verklaren van dit besluit een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

2.2.

Bij de toepassing van deze bepaling voert verweerder het beleid dat sprake moet zijn van een ernstige verstoring van de levensomstandigheden gedurende de oorlogsjaren 1940‑1945 ten gevolge van het verzet van derden, zich uitend in het tijdens en in aansluiting op de oorlog zichtbaar zijn van symptomen van psychotraumatisering in de ontwikkeling van de persoonlijkheid en het psychosociaal functioneren nadien. Aandachtspunten daarbij zijn school en beroepsopleiding, beroepsleven, relationele aspecten en psychische ziektegeschiedenis. Dit beleid is in vaste rechtspraak aanvaard (bijvoorbeeld de uitspraak van 19 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:476).

2.3.

De Raad stelt voorop dat waar eerder door verweerder is erkend dat de vader van appellant heeft behoord tot de verzetsdeelnemers, nu naar aanleiding van de aanvraag van appellant is vastgesteld dat zijn moeder tot die groep heeft behoord. Niet kon worden vastgesteld dat appellant tot de groep van verzetsdeelnemers heeft behoord. Dit wordt door appellant ook niet betwist, want zijn aanvraag heeft alleen betrekking op de gelijkstelling. In dit geding gaat het dan ook uitsluitend om de gevolgen die het verzet van de ouders voor appellant heeft gehad. Dat brengt mee dat de verwondingen als gevolg van het van de trap gegooid zijn door een Duitser, nog daargelaten dat deze gebeurtenis niet is komen vast te staan, niet bij de beoordeling kunnen worden betrokken.

2.4.

In het geval van appellant stelt verweerder zich op het standpunt dat van een door het leven heen bestaande continue lijn (de zogenoemde “rode draad”) van disfunctioneren niet is gebleken. Dit standpunt is in eerste instantie gebaseerd op een door de geneeskundig adviseur R.J. Roelofs, arts, uitgebracht advies dat tot stand is gekomen na een persoonlijk onderhoud met appellant en waarbij informatie van de huisarts is betrokken. Roelofs constateert dat er geen verstoring van betekenis is te zien in één van de (genoemde) aandachtspunten en concludeert dat van een ernstige verstoring van de levensomstandigheden als gevolg van het derdenverzet geen sprake is.

2.5.

Het bezwaar is voorgelegd aan de geneeskundig adviseur A.M. Ohlenschlager, arts. Zij heeft het advies van Roelofs onderschreven. Op basis van het bezwaar en na heroverweging van het primair advies heeft Ohlenschlager geconcludeerd dat van een continue verstoring, een rode draad van psychische klachten sinds de oorlog, geen sprake is. Verstoringen van betekenis op andere gebieden zijn er evenmin, aldus Ohlenschlager.

2.6.

De Raad acht het bestreden besluit met de adviezen van zijn geneeskundig adviseurs, voldoende zorgvuldig voorbereid en draagkrachtig gemotiveerd. In de aandachtspunten school- en beroepsopleiding, beroepsleven en relationele aspecten heeft Roelofs geen verstoringen van betekenis als gevolg van het derdenverzet kunnen vaststellen. Tegenover de adviezen staan geen objectieve gegevens die in een andere richting zouden kunnen wijzen. De inschatting van appellant dat hij zonder de traumatisering van zijn ouders - zo dit al moet worden aangenomen - een hogere schoolopleiding zou hebben genoten (omdat hij tot de besten van de klas behoorde) en daardoor een betere beroepscarrière zou hebben gehad, is op zichzelf niet voldoende. Wat betreft de psychische ziektegeschiedenis komt uit het onderzoek van Roelofs naar voren dat appellant met name de laatste jaren in toenemende mate bezig is met het verleden. Dit heeft bij appellant geleid tot een mild psychisch beeld met

PTSS-kenmerken. Hoe belastend dit ook zal zijn voor appellant, hiermee is niet voldaan aan het vereiste dat dit als een “rode draad” tot de oorlog kan worden herleid.

2.7.

Uit 2.6 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2019.

(getekend) H. Lagas

(getekend) A.M. Pasmans

JL