Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:988

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
18/378 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:9582, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstand voor daklozen. Onduidelijke verblijfssituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 378 PW

Datum uitspraak: 12 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

7 december 2017, 17/3916 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.S. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2019. Namens appellante is

mr. Jansen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Wintjes.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft zich op 7 december 2016 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW). Op dezelfde datum heeft zij de aanvraag ingediend. Daarbij heeft zij 3 december 2016 opgegeven als gewenste ingangsdatum. Op het aanvraagformulier heeft appellante verder opgegeven dat zij een postadres heeft op het adres [adres 1] . In de toelichting op haar aanvraag heeft appellante vermeld dat zij dakloos is, dat zij tot 3 december 2016 sliep in een bedrijfspand op het adres [adres 2] , dat dit pand op 3 december 2016 door brand werd verwoest, waarbij appellante al haar persoonlijke spullen en papieren is kwijtgeraakt, en dat zij nu in een auto in Rotterdam slaapt.

1.2.

Bij brief van 13 december 2016 heeft het college - voor zover hier van belang - appellante verzocht een verklaring te schrijven over waar en bij wie zij elke dag van de week overnacht. Appellante diende voor elke dag van de week onder meer het adres op te geven. In een schriftelijke reactie van 19 december 2016 heeft appellante over haar feitelijke verblijfplaats vermeld dat zij de afgelopen weken heeft overnacht in de auto van haar ex-schoonmoeder.

1.3.

Bij brief van 3 januari 2017 heeft het college appellante aanvullend verzocht onder meer het formulier “Adressenlijst voor mensen met een wisselend verblijfadres” (formulier) volledig ingevuld en ondertekend in te leveren en met officiële bewijsstukken aan te tonen waar zij vanaf 3 december 2016 heeft verbleven.

1.4.

Bij brief van 12 januari 2017 heeft appellante verklaard dat zij de gevraagde informatie op het formulier niet heeft kunnen invullen en heeft zij herhaald dat zij van 3 december 2016 tot en met heden in een auto heeft overnacht. Zij probeert de auto zoveel mogelijk aan het zicht te onttrekken om te voorkomen dat omwonenden gaan klagen. Dagelijks parkeert zij de auto op een onopvallende plek in de gemeente Rotterdam.

1.5.

Bij besluit van 19 januari 2017 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante niet in de gemeente Rotterdam woont.

1.6.

Appellante heeft tegen het besluit van 19 januari 2017 bezwaar gemaakt. In dat kader heeft appellante aangevoerd dat zij in Rotterdam woont, omdat zij daar bij vrienden heeft gelogeerd en een briefadres heeft gekregen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante in bezwaar een verklaring van [naam] ( [adres 3] ) overgelegd. [adres 3] verklaart daarin dat appellante in de periode van 7 december 2016 tot 19 januari 2017 bij hem in Rotterdam heeft gelogeerd.

1.7.

Bij besluit van 7 juni 2017 (bestreden besluit), heeft het college het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat appellante onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt om te kunnen vaststellen dat zij vanaf 3 december 2016 feitelijk in Rotterdam verbleef. Appellante heeft wel verklaard dat zij in haar auto sliep, maar heeft niet vermeld waar deze auto geparkeerd stond. Verder is het niet aannemelijk dat appellante in de wintermaanden in een (koude) auto heeft kunnen overnachten. De door appellante in bezwaar overgelegde verklaring van [adres 3] strookt niet met de verklaring van appellante van 12 januari 2017. Doordat appellante onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over haar feitelijke woon- en verblijfplaats, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.8.

Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag om bijstand van appellante heeft het college haar met ingang van 2 februari 2017 bijstand toegekend. Appellante had toen een vast verblijfadres opgegeven.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 3 december 2016 (de gewenste ingangsdatum van de bijstand) tot en met 19 januari 2017 (de datum van het afwijzingsbesluit).

4.2.

De bewijslast van bijstandbehoevendheid rust bij een aanvraag in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager is onder meer verplicht juiste en volledige informatie te verstrekken over zijn woon- en leefsituatie, omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Naar vaste rechtspraak (uitspraak van

13 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:15) kan ook van iemand die stelt dak- of thuisloos te zijn worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat zij vanaf 1 juli 2015 tot 11 september 2016 bij haar schoonouders aan de [adres 3] woonde en ingeschreven heeft gestaan. Omdat haar relatie was beëindigd en zij niet kon bijdragen in de kosten, was zij daarna zonder vaste woon- of verblijfplaats en logeerde zij bij vrienden in Rotterdam, zij was daar “bankslaper”. Haar zoon had een vaste logeerplek in Rotterdam bij een bevriend stel. Omdat zij “bankslaper” was en dus niet meer dan een logee, woonde zij “uit haar auto”. Zij heeft dit van het begin af aan verklaard. Omdat zij geen urgentieverklaring kreeg lukte het niet een woning te krijgen en opvang was ook geen optie vanwege haar medische situatie en omdat zij een nog jong kind heeft. Zij heeft via een wijkteam een briefadres gekregen. Zij meent dat zij het college voldoende informatie heeft verstrekt. Het college had “een huisbezoek” mogen afleggen bij de auto of de logeerplek.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Hoewel het college niet met zoveel woorden heeft gevraagd waar de auto van appellante geparkeerd stond, lag het, gelet op de vragen van het college in de brieven van 13 december 2016 en 3 januari 2017 naar verblijfadressen, op de weg van appellante om daarvan opgave te doen. Dan had het college vervolgens de verblijfplaats van appellante kunnen controleren. Het gaat hier ook om gegevens waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Voor zover bij appellante twijfel bestond of deze gegevens voor de verlening van bijstand van belang konden zijn, had zij daarin aanleiding moeten zien om contact op te nemen met het college om op dit punt duidelijkheid verkrijgen. Daarbij komt dat de verklaringen van appellante over het slapen in de auto haaks staan op de in bezwaar door appellante ingebrachte verklaring van [adres 3] . Ter zitting van de Raad heeft appellante de verklaring van [adres 3] genuanceerd door te verklaren dat zij slechts af en toe bij [adres 3] heeft verbleven, maar dit valt niet uit deze verklaring af te leiden. Appellante heeft dus over haar verblijfplaats ook wisselende verklaringen afgelegd. Dat appellante van meet af aan heeft verklaard dat zij bij vrienden logeerde en uit haar auto leefde, wordt, gelet op wat appellante op het aanvraagformulier en in de brieven van 19 december 2016, vermeld in 1.2, en 12 januari 2017, vermeld in 1.4, heeft vermeld, niet gevolgd. De conclusie moet dan ook zijn dat appellante niet de benodigde helderheid heeft verschaft over haar feitelijke verblijfplaats.

4.5.

Dat het appellante niet kan worden verweten dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden omdat zij vanwege haar kwetsbare gesteldheid hulp behoefde kan, wat daarvan zij, niet tot een ander oordeel leiden. Appellante heeft de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Hierbij is niet relevant of appellante bewust de informatie voor het college heeft willen achterhouden en of haar dat te verwijten is. De in artikel 17 van de PW neergelegde verplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij opzet of verwijtbaarheid geen rol spelen.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2019.

(getekend) M. ter Brugge

(getekend) S.A. de Graaff

md