Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:987

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
17/7607 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Geen hoofdverblijf meer op uitkeringsadres. Recht niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7607 PW

Datum uitspraak: 19 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

20 oktober 2017, 17/2164 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.H.M. Jacobs hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.M.J.P. Michiels, advocaat, en kantoorgenoot van mr. Jacobs. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.H.G. Rikken.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving samen met [naam 1] (X) sinds 8 augustus 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor gehuwden. Appellante en X stonden samen sinds 26 maart 2007 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, nu basisregistratie personen het adres [adres] te [gemeente 2] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de gemeente [gemeente 1] dat appellant samenwoont met [naam 2] (Y) heeft een sociaal rechercheur van het Bureau Handhaving van de Afdeling Inkomen van de gemeente Nijmegen (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader van het onderzoek heeft de sociale recherche dossieronderzoek verricht, X op 14 oktober 2016 en appellant op 17 oktober 2016 gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 28 oktober 2016.

1.3.

Bij besluit van 7 november 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 maart 2017 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 mei 2016 ingetrokken. Tevens heeft het college de over de periode van 1 mei 2016 tot en met
31 oktober 2016 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van bruto € 3.210,70 van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant niet langer zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Door dit niet aan het college te melden, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat het recht op bijstand niet is vast te stellen, omdat appellant in de periode van 1 mei 2016 tot en met 31 oktober 2016 niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. De rechtbank acht daarvoor doorslaggevend de verklaring die appellant op 17 oktober 2016 tegenover het college heeft afgelegd. Volgens de rechtbank is vaste rechtspraak (uitspraak van
26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) dat een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring mag worden gehouden. Volgens de rechtbank bestaat in het onderhavige geval geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. Appellant heeft een gedetailleerde verklaring afgelegd over zijn feitelijke woon- en leefsituatie. Appellant heeft onder meer verklaard dat hij vanaf april of mei 2016 letterlijk op straat stond, dat hij vanaf mei 2016 onderdak van Y heeft gekregen en dat hij drie tot vier dagen per week bij haar verblijft. De rest van de dagen verblijft appellant bij vrienden, zijn moeder of zijn oom. Volgens de rechtbank komt deze verklaring van appellant overeen met de verklaring van X waarin zij onder meer heeft verklaard dat appellant vanaf mei 2016 van het uitkeringsadres is vertrokken. De verklaring van appellant wordt ook ondersteund door de verklaring van Y waarin zij onder meer heeft verklaard dat zij appellant voor de duur van zes maanden heeft opgevangen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij niet - letterlijk - kan worden gehouden aan de door hem afgelegde verklaring. In dit verband heeft appellant gesteld dat hij alles achteraf moest reconstrueren, terwijl hij ten tijde van de verklaring niet meer zou terugkeren naar het uitkeringsadres. Verder heeft appellant aangevoerd dat het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld, omdat hij zijn hoofdverblijf in [gemeente 2] had.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op deze gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. De Raad voegt daar nog aan toe dat de stelling van appellant dat hij zijn hoofdverblijf in [gemeente 2] heeft gehad, niet slaagt. De in hoger beroep overgelegde verklaringen van de buren van de moeder van appellant, waarin zij verklaren dat appellant in 2016 tot aan haar overlijden op 31 december 2016 veel bij zijn moeder in [gemeente 2] was om voor haar te zorgen, werpen geen ander licht op de situatie. Uit deze verklaringen is niet af te leiden waar appellant in de periode van 1 mei 2016 tot en met 31 oktober 2016 zijn hoofdverblijf heeft gehad.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2019.

(getekend) A. Stehouwer


(getekend) L. Hagendijk

md