Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:985

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
18/1498 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:1409, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Drugshandel. Schending inlichtingenverplichting, recht niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1498 PW

Datum uitspraak: 19 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 maart 2018, 17/5902 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.P.M. Kouwenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2019. Appellant is niet verschenen en het dagelijks bestuur heeft zich niet laten vertegenwoordigen, beiden met bericht.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 15 augustus 2016 bijstand ingevolge de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellant staat sinds 6 juli 2015 ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een melding van 11 april 2017 van een veiligheidscoördinator van de gemeente [gemeente] dat appellant op 4 april 2017 in zijn woning is aangehouden heeft een handhavingsmedewerker van uitvoeringsinstantie Baanbrekers (handhavingsmedewerker) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand. In dat kader heeft de handhavingsmedewerker een rapport van 4 april 2017 van de politie Eenheid Oost-Brabant (politie) bestudeerd. Uit het rapport van de politie blijkt dat appellant op 24 november 2016, 19 januari 2017 en 24 maart 2017 aan pseudokopers cocaïne heeft verkocht. De politie heeft appellant aangehouden als verdachte ter zake van overtreding van de Opiumwet en er heeft doorzoeking van de woning op het uitkeringsadres plaatsgevonden. De politie heeft bij de doorzoeking verschillende spullen in beslag genomen waaronder restanten van cocaïne. In de broekzak van appellant heeft de politie een bedrag van € 1.560,70 aangetroffen. Naar aanleiding van de bevindingen uit het politieonderzoek heeft de handhavingsmedewerker op 17 mei 2017 een gesprek met appellant gevoerd. Tijdens dit gesprek heeft appellant ontkend dat hij in verdovende middelen heeft gehandeld. De handhavingsmedewerker heeft de bevindingen vastgelegd in een rapport van 17 mei 2017.

1.3.

Gelet op de bevindingen van het onderzoek, heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 16 juni 2017 de bijstand van appellant over de periode van 24 november 2016 tot en met 31 maart 2017 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 4.477,84 van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 3 juli 2017 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 18 mei 2017 (lees: 16 juni 2017) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen opgave te doen van zijn activiteiten in drugshandel en de daarmee verworven inkomsten, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant bestrijdt dat hij in drugs heeft gehandeld. Appellant verwijst naar een vonnis van de strafrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 14 december 2017. Bovendien heeft de officier van justitie geen ontnemingsvordering ingediend. Appellant heeft verder aangevoerd dat hij de omvang van zijn activiteiten en inkomsten voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. In dit verband heeft appellant aangevoerd dat hij geen inkomsten van relevante omvang heeft verdiend, zodat niet van hem verwacht kan worden dat hij hiervan een boekhouding of administratie heeft bijgehouden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De periode in geding is van 24 november 2016 tot en met 31 maart 2017.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

De onderzoeksbevindingen bieden toereikende grondslag voor het standpunt van het dagelijks bestuur dat appellant in de periode in geding heeft gehandeld in verdovende middelen en daarmee aanzienlijke bedragen heeft verdiend. Daarom had appellant van de door hem ondernomen activiteiten, ongeacht de omvang, opgave te doen aan het bijstandverlenend orgaan. Door dit na te laten heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Appellant heeft geen administratie en/of boekhouding van zijn activiteiten bijgehouden. Dat het openbaar ministerie geen ontnemingsvordering tegen appellant heeft ingesteld, betekent niet dat daarmee inzicht is gegeven in de omvang van de activiteiten en het recht op bijstand wel is vast te stellen. Het dagelijks bestuur heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2019.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) L. Hagendijk

md